h

SP schriftelijk vragen

scroll naar beneden voor eerder vragen:
 

Maastricht, 24 maart 2025
Schriftelijke (vervolg) vragen van SP inzake over het innen en afhandelen van parkeerboetes door Cannock Chase.

Geacht college, De SP-fractie maakt zich zorgen om de aanhoudende berichtgeving over foutieve parkeerboetes en daaropvolgende bezwaartrajecten. In antwoorden op vragen van PVM stelt de gemeente dat ‘Mensen die van mening zijn dat ze een onterechte naheffingsaanslag hebben ontvangen’ daartegen een bezwaarschrift kunnen indienen. In de antwoorden op eerder gestelde schriftelijke vragen van het CDA wordt uitgelegd dat de gemeente haar best doet om de mogelijkheden zo “klantvriendelijk” mogelijk te maken en voor heldere en begrijpelijk informatie zorgt. Uw college erkende wel dat er een probleem met achterstanden was bij de partij aan wie ‘inning en bezwaar naheffingsaanslagen parkeren’ is uitbesteed, te weten aan de BV Cannock Chase.

De Nieuwe Ster berichtte eind 2024 al over signalen over onvrede over de afhandeling van incasso’s en bereikbaarheid van Cannock Chase.Op 18 maart jl. schreef De Nieuwe Ster opnieuw over Cannock Chase, dit keer onder andere over een inwoonster die tot drie keer toe een boete ontving ten aanzien van een parkeerplaats terwijl zij daar wél een vergunning voor had. Cannock Chase blijkt voor Maastrichtenaren slecht bereikbaar te zijn. Dit roept ook bij de SP de nodige vragen op, die in het navolgende nader uiteengezet kunnen worden.

1. Heeft de gemeente Maastricht tot op heden nog klachten over de afhandelingen van bezwaren door Cannock Chase ontvangen? Zo ja, om hoeveel klachten gaan dit en wat is de zijn de meest voorkomende redenen?

2. Hoe staat het inmiddels met de achterstand bij Cannock Chase, zoals reeds beschreven door uw college in de antwoorden op de vragen van het CDA?

3. Op welke manier houdt de gemeente zicht op de afhandeling van de incasso’s door Cannock Chase en de ontstane achterstand daarbij? In een recent position paper van de VNG met de titel ‘Op weg naar een rechtvaardig en mensgericht invorderings- en incassostelsel’ wordt geschreven over de oproep vanuit de VNG om de grote opgaven rondom bestaanszekerheid aan te pakken en de bijbehorende rol van de gemeente als invorderaar.

4. Onderschrijft het college de oproep vanuit de VNG om in de rol van schuldeiser uit te gaan van vertrouwen, door sociale incasso verder te verwerken in alle invorderingsprocessen?

5. Wat voor beleid voert de gemeente Maastricht momenteel rondom het bevorderen van een zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde incasso?

6. Hoe houdt de gemeente Maastricht momenteel toezicht op de betrokken commerciële partij Cannock Chase omtrent het uitvoeren van zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde incasso? In dit position paper herhaalt de VNG ook de oproep van de vorige betrokken staatssecretaris om gratis betalingsherinneringen te sturen, omdat deze een positief effect hebben op het betaalgedrag van inwoners.

7. Maken zowel de gemeente Maastricht als Cannock Chase gebruik van gratis betalingsherinneringen om zo inwoners te stimuleren en schuldproblematiek te voorkomen? In een artikel over parkeerproblematiek in Amsterdam heeft AT5 bericht over de parkeerindustrie en het verdienmodel daarachter. In Amsterdam ontvangt de commerciële partij waaraan het parkeerbeheer is uitbesteed namelijk een bonus als voldoende mensen beboet worden. Ook krijgt de algemeen directeur dan een bonus uitbetaald. Dit zorgt voor een financiële prikkel om het aantal uitgedeelde boetes zo hoog mogelijk te krijgen, waardoor het publiek belang niet meer voorop staat. De SP-fractie is tevreden dat het parkeerbeheer an sich in Maastricht niet is uitbesteed aan een commerciële partij, maar maakt zich wel zorgen over het verdienmodel achter het innen en afhandelen van de naheffingsaanslagen bij parkeerboetes, en de afhandeling van bezwaren daartegen.

8. Kan uw college toelichten voor welke periode het contract met Cannock Chase is afgesloten, en hoe het contract met Cannock Chase is opgebouwd en of er sprake is van bonussen bij aantallen geinde boetes en afgehandelde bezwaren, en de gemeenteraad informeren ? Als het antwoord op het laatste deel van de vraag ‘ja’ is, wat houden deze bonussen in en wat zijn hiervoor de voorwaarden?

9. Deelt het college de opvatting van de SP-fractie dat het in de hand nemen van een commerciële partij bij het innen van parkeerboetes, en de afhandeling van bezwaren tegen die boetes, onwenselijk is door het gebrek aan controle op omgang met onze inwoners? Zo nee, kan het college toelichten waarom niet? Zo ja, welke gevolgen dient dat volgens uw college voor de toekomstige inrichting van dit stelsel te hebben?

10. Als het mogelijk is voor een commerciële partij om winst te maken aan het overnemen van gemeentelijke taken die bij in eigen beheer houden zouden zorgen voor gemeentelijke inkomsten, deelt het college de opvatting van de SP-fractie dan dat het onwenselijk is om op deze manier gemeentelijke inkomsten mis te lopen? Zo nee, kan het college toelichten waarom niet?

11. Is de gemeente Maastricht bereid om te onderzoeken of het innen en afhandelen van bezwaren op parkeerboetes na het verstrijken van termijn van de huidige aanbesteding weer in gemeentelijke handen terug kan worden gebracht, eventueel in een samenwerking met ander Zuid-Limburgse gemeenten? Zo ja, wanneer mag de gemeenteraad een verslag van dat onderzoek ontvangen? Zo nee, waarom niet?

Hoogachtend, Stephanie Blom Sem Bonte Raadslid SP Burgerraadslid SP

Maastricht, 21 maart 2025
Schriftelijke vragen SP over de mogelijkheden tot introductie van de maatschappelijke diensttijd voor ambtenaren binnen de gemeente Maastricht.

Geacht college, Onlangs verscheen op De Correspondent een zeer lezenswaardig artikel van de hand van Tim 'S Jongers, met als titel ‘Beleid wordt beter als ambtenaren achter hun laptop vandaan komen. Daarom: een pleidooi voor een maatschappelijke diensttijd.’ In dit stuk wordt overtuigend gepleit voor een maatschappelijke diensttijd voor ambtenaren, waarin beleidsmakers en ambtenaren onder werktijd actief vrijwilligerswerk verrichten binnen hun eigen beleidsdomein. Het doel hiervan is om hen dichter bij de realiteit van inwoners te brengen, waardoor het beleid beter aansluit bij wat er werkelijk leeft in de samenleving. 'S Jongers benadrukt - wat onze fractie betreft terecht - dat wanneer ambtenaren hun werkomgeving verlaten en daadwerkelijk participeren in maatschappelijke activiteiten, zij direct ervaren welke effecten het beleid heeft op burgers.

Zo worden beleidsstukken niet alleen praktischer, maar vooral effectiever en rechtvaardiger. Verschillende gemeenten in Nederland werken al met vergelijkbare concepten of maatschappelijke stages om de afstand tussen ambtenaren en inwoners te verkleinen. In het artikel wordt expliciet ingegaan op de positieve ervaringen die de gemeente Utrecht heeft opgedaan met dit concept in het traject Bewust Buurten. Daar is gebleken dat ambtenaren die actief vrijwilligerswerk verrichten, beter inzicht krijgen in de gevolgen van hun beleid en daardoor meer begrip en empathie ontwikkelen voor burgers. Ook is gebleken dat beleidsvoorstellen hierdoor praktischer worden en een breder draagvlak genieten binnen de gemeenschap. Daarnaast heeft de gemeente Enschede goede ervaringen opgedaan met maatschappelijke stages voor jongeren, waarbij participatie en kennismaking met vrijwilligerswerk centraal staan. Deze aanpak blijkt waardevol om wederzijds begrip te versterken en beter aan te sluiten bij de behoeften van inwoners. Wat de SP betreft zijn deze initiatieven in ieder geval veel meer belovend dan een lezing over armoede van een zogenaamde ‘expert’ via een duur sprekersbureau. Naar aanleiding hiervan stelt onze fractie graag de volgende vragen aan uw college:

1. Is het college bekend met het concept van maatschappelijke diensttijd voor ambtenaren, zoals beschreven in het aangehaalde artikel van ‘S Jongers?

2. Kent de gemeente Maastricht momenteel al initiatieven waarin ambtenaren structureel buiten het stadskantoor en onder werktijd actief zijn in vrijwilligerswerk of maatschappelijke activiteiten binnen hun beleidsdomein? Zo ja, kunt u deze initiatieven nader toelichten en aangeven wat de resultaten hiervan zijn?

3. Indien dit momenteel niet het geval is, is het college bereid om te onderzoeken hoe een vergelijkbare maatschappelijke diensttijd voor ambtenaren binnen de Maastrichtse organisatie zou kunnen worden opgezet en geïmplementeerd? Zo ja, wanneer mag de raad daar een verslag van ontvangen? Zo nee, waarom niet?

4. Is het college bereid om expliciet in gesprek te gaan met gemeenten die al ervaring hebben met dergelijke initiatieven, zoals Utrecht en Enschede, om best practices op te halen? Zo nee, waarom niet?

5. Welke mogelijkheden ziet het college om, als onderdeel van het personeelsbeleid, structurele maatschappelijke stages of vergelijkbare initiatieven voor ambtenaren in Maastricht in te voeren, zodat beleid beter aansluit op de praktijkervaringen van inwoners en maatschappelijke organisaties?

6. Hoe schat het college de potentiële bijdrage van een maatschappelijke diensttijd voor ambtenaren in als het gaat om het versterken van vertrouwen tussen de gemeente en inwoners, en het verbeteren van beleidsvoorstellen?

7. Welke randvoorwaarden en middelen acht het college noodzakelijk om een succesvol maatschappelijk diensttijd-project voor ambtenaren in Maastricht te realiseren? Wij zien uw antwoorden met grote belangstelling tegemoet.

Hoogachtend, Stephanie Blom Raadslid SP

Maastricht, 20 maart 2025
Betreft: Schriftelijke vragen SP inzake het Grand Hotel Maastricht aan de Boschstraat.

Geacht college, Zoals u inmiddels welbekend, klinkt vanuit verschillende hoeken in de stad – denk aan buurtbewoners, woningzoekenden, ondernemers en organisaties als de SAHOT – de kritiek dat Maastricht inmiddels meer dan genoeg (luxe) hotels binnen haar gemeentegrenzen heeft. De toename van hotelkamers zorgt voor een eenzijdig en op de lange termijn niet-houdbaar gebruik van onze schaarse ruimte, verkeersoverlast in de omgeving, en prijsopdrijving van het vastgoed, terwijl de duurzame winst voor de lokale economie en gemeenschap allesbehalve gegarandeerd is – en bovendien nog nooit overtuigend onderbouwd door uw college. Steden zijn net jaszakken: er past een hoop in, maar er komt een moment dat ze propvol zijn.

En als je er maar hotels in blijft stoppen, kun je er tegelijkertijd op die locaties geen woningen meer in kwijt. Onze schaarse grond, de talloze monumentale panden en de karakteristieke straatjes lenen zich eenvoudigweg óf voor de mensen die er wonen, óf voor degenen die tijdelijk neerstrijken en weer verder trekken, terwijl ze wat welkome euro’s voor ondernemers achterlaten. De spanning tussen ‘het hotel’ en ‘de woning’ is in ultimo dan ook een versimpelde versie van de grote vraag die elke serieuze stad van enige omvang momenteel bezighoudt: welk deel van de stad reserveren we voor groei, vernieuwing, en toerisme en welk deel koesteren we als woonomgeving waar je de bakker en de slager om de hoek kent, en waar je de buurvrouw haar voornaamt kent? Daarmee komen we wat de SP betreft ook tot de uiteindelijke kern van de zaak, en uiteindelijk ook de reden waarom wij ons zo bezighouden met hotels: wat voor stad wil Maastricht zijn, en voor wie precies? Een stad die zich profileert als luxebestemming, met bij voorkeur vijfsterrenfaciliteiten, butlerservices, de TEFAF, en valet parking? Of een stad die ruimte biedt aan mensen met allerlei soorten inkomens, opleidingsniveau, levensstijlen en wensen? Die vraag maakt hotels dan ook zo’n perfecte casus.

Ze vormen de kanarie in de kolenmijn ten aanzien van de balans in onze stad. Want wanneer de schijnbaar ongeremde toevoeging van meer-meer-meer hotelkamers de stad vult met het eindeloze geluid van rolkoffertjes in plaats van dat van kinderwagens, en de broodnodige woonruimte voor Maastrichtenaren steeds meer verdrukt, dan is de hamvraag of de vermeende economische spin-off waarde wel opweegt tegen de prijs die we daar uiteindelijk als stad voor betalen. De SP wordt er door sommigen van beticht van een ware ‘kruistocht’ tegen de komst van nieuwe hotels in onze stad te voeren. Hoewel wij dat enerzijds wel een vleiend beeld vinden, is die karakterisering natuurlijk schromelijk overdreven. Wij zijn namelijk geenszins tegen hotels als zodanig, maar we strijden inderdaad wél tegen ongewenste ontwikkelingen in de binnenstad terwijl de woningnood nog steeds schreeuwt om een daadwerkelijk betaalbare oplossing. Wanneer vergunningen onder strikte voorwaarden worden afgegeven, moet er ook gecontroleerd worden of die voorwaarden correct worden nageleefd. Als de afspraken over luxeniveau, gebruik van de ruimte en activiteiten die het hotel mag aanbieden niet worden gerespecteerd, dan lopen we het risico dat de toch al kostbare ruimte in onze stad niet wordt gebruikt op een manier die bijdraagt aan het algemeen belang, en creëren we een oneerlijk en ongelijk speelveld in de stad.

Concreet gaat het in dit geval om het Grand Hotel Maastricht aan de Boschstraat, dat jarenlang in ontwikkeling is geweest in een monumentaal pand waar vroeger het LIOF was gehuisvest. De oorspronkelijk beoogd exploitant, de heer Wesly, is om uiteenlopende redenen afgehaakt: de lange procedures, de gestegen bouwkosten en de (vermeende) onhaalbaarheid van een echt vijfsterrenhotel op deze locatie. Zoals bekend, is inmiddels de heer Merks als exploitant bereid gevonden om een nieuwe poging te wagen. Hij is voornemens om het hotel – dat volgens eigen zeggen onderdeel wordt van Accor’s nieuwe ‘Handwritten Collection’, een boetiekconcept in het middensegment – in mei te openen. Merks belooft een ‘vijfsterrenplushotel’ mét luxe bar, tapas en een ‘atelier’ waar workshops en cursussen worden gegeven, ook voor niet-hotelgasten. Dat lijkt op het eerste gezicht natuurlijk een ontzettend gezellig concept, maar bij de SP leven er vooral vragen over de afspraken die destijds met de gemeente zijn gemaakt. We herinneren ons immers nog de strenge eisen rond onder meer het luxeniveau (vijf sterren, butlerservice, valet parking), de beperking dat er géén volwaardig restaurant mag komen en de eis dat het hotel vooral een aanvulling moet worden op het bestaande aanbod, en geen bron van (extra) overlast voor de buurt. Met de komst van een exploitant die mikt op een concept in het middensegment, rijst de vraag of het oorspronkelijke plan – en daarmee de strikte voorwaarden die golden voor de vergunning – überhaupt nog overeind staan. In het kader van het voorgaande, heeft onze fractie de volgende vragen voor uw college.

1. De oorspronkelijk afgegeven vergunning ging uit van een vijfsterrenhotel, terwijl de Handwritten Collection van Accor onder het middensegment geschaard dient te worden. Kan uw college toelichten of en hoe het hotel, ondanks aansluiting bij dit middensegmentconcept, nog steeds aan de vereiste vijfsterrenstatus voldoet?

2. De strikte eisen die eerder door de gemeente werden gesteld – zoals butlerservice, valetparking en andere luxevoorzieningen – waren bedoeld om het hotel een duidelijk vijfsterrenkarakter te geven. Is dit nog altijd de insteek en is er controle op de concrete uitvoering hiervan? Zo ja, voldoet het voorgenomen hotelconcept dan volgens uw college aan de oorspronkelijke vergunningsvoorwaarden? Zo nee, hoe rechtvaardigt u het afwijken van de door uzelf gestelde vergunningsvereisten ten behoeve van de komst van nóg een luxehotel waar (bijna) niemand nog op zit te wachten?

3. Er is in de vergunning nadrukkelijk vastgelegd dat er géén restaurantfunctie mag zijn. Tegelijkertijd spreekt de nieuwe exploitant over een ‘bar’ met ‘luxe wijnen’, ‘tapas’ en een ‘atelier’ waar mensen kunnen leren koken en proeven. Hoe beoordeelt het college het risico dat dit in de praktijk neerkomt op een (verhulde) restaurantfunctie, zeker als deze eetgelegenheid expliciet ook bedoeld is voor niet-hotelgasten?

4. Welke maatregelen heeft het college (in samenwerking met de handhavingsinstanties) getroffen om te waarborgen dat de exploitant zich aan alle gestelde voorwaarden van de vergunning houdt, en hoe wordt er gehandhaafd als blijkt dat de exploitatie afwijkt van het aanvankelijk voorgestelde vijfsterrenhotel?

5. De vorige exploitant achtte een dergelijke luxeformule niet rendabel in Maastricht. Hoe beoordeelt het college de kans op succes van deze nieuwe exploitant, en is er een plan om mogelijke leegstand (en de negatieve gevolgen voor de binnenstad) te voorkomen als de exploitatie onverhoopt niet uitkomt?

6. De nieuwe exploitant wil onder meer een proefkeuken, patisserie-workshops en wijn-spijscursussen aanbieden aan niet-hotelgasten. Hoe verhoudt dit zich tot de vergunning die de gemeente heeft verleend, en in hoeverre ziet het college deze invulling als wenselijk of juist onwenselijk voor de omgeving?

7. Er is destijds veelvuldig overleg geweest met omwonenden, die hun zorgen en bezwaren hebben geuit. In hoeverre zijn deze omwonenden opnieuw geraadpleegd bij de wijziging van exploitant en concept, en welke mogelijkheden hebben zij om tegen nieuwe ontwikkelingen in bezwaar te gaan?

8. Het hotel profileert zich als ‘toevoeging’ aan het toeristisch aanbod van Maastricht, maar mogelijk ervaren buurtbewoners het eerder als ‘inbreuk’ op de leefbaarheid. Is er onderzoek gedaan naar de effecten (bijvoorbeeld verkeer, parkeerdruk, geluid) op de omgeving? Zo ja, wat waren de uitkomsten van dit onderzoek, en welke conclusies trekt het college daaruit?

9. De gemeente heeft zichzelf ten doel gesteld om – onder bepaalde randvoorwaarden – ruimte te scheppen voor hoogwaardig toerisme, maar ook om schaarse ruimte in te zetten voor bredere maatschappelijke behoeften (zoals wonen en publieke voorzieningen). Hoe past dit hotelconcept binnen die bredere visie, en hoe verhoudt de komt van opnieuw een hotel zich volgens uw college tot bredere doelen, zoals de grote woningbouwopgave?

10. Met het oog op de breed gedeelde de kritiek op het hotelbeleid vanuit brede lagen van de stad, en de langdurige, moeizame totstandkoming van dit project, welke lessen trekt het college hieruit voor toekomstig hotelbeleid? Zijn er bijvoorbeeld aanpassingen voorzien in de manier waarop de gemeente nieuwe hotelconcepten toetst en evalueert?

Hoogachtend, Stephanie Blom Raadslid SP

Maastricht, 24 maart 2025
Betreft: Schriftelijke (vervolg) vragen van SP inzake over het innen en afhandelen van parkeerboetes door Cannock Chase.

Geacht college, De SP-fractie maakt zich zorgen om de aanhoudende berichtgeving over foutieve parkeerboetes en daaropvolgende bezwaartrajecten. In antwoorden op vragen van PVM stelt de gemeente dat ‘Mensen die van mening zijn dat ze een onterechte naheffingsaanslag hebben ontvangen’ daartegen een bezwaarschrift kunnen indienen. In de antwoorden op eerder gestelde schriftelijke vragen van het CDA wordt uitgelegd dat de gemeente haar best doet om de mogelijkheden zo “klantvriendelijk” mogelijk te maken en voor heldere en begrijpelijk informatie zorgt. Uw college erkende wel dat er een probleem met achterstanden was bij de partij aan wie ‘inning en bezwaar naheffingsaanslagen parkeren’ is uitbesteed, te weten aan de BV Cannock Chase. De Nieuwe Ster berichtte eind 2024 al over signalen over onvrede over de afhandeling van incasso’s en bereikbaarheid van Cannock Chase.Op 18 maart jl. schreef De Nieuwe Ster opnieuw over Cannock Chase, dit keer onder andere over een inwoonster die tot drie keer toe een boete ontving ten aanzien van een parkeerplaats terwijl zij daar wél een vergunning voor had. Cannock Chase blijkt voor Maastrichtenaren slecht bereikbaar te zijn. Dit roept ook bij de SP de nodige vragen op, die in het navolgende nader uiteengezet kunnen worden.

1. Heeft de gemeente Maastricht tot op heden nog klachten over de afhandelingen van bezwaren door Cannock Chase ontvangen? Zo ja, om hoeveel klachten gaan dit en wat is de zijn de meest voorkomende redenen?

2. Hoe staat het inmiddels met de achterstand bij Cannock Chase, zoals reeds beschreven door uw college in de antwoorden op de vragen van het CDA?

3. Op welke manier houdt de gemeente zicht op de afhandeling van de incasso’s door Cannock Chase en de ontstane achterstand daarbij? In een recent position paper van de VNG met de titel ‘Op weg naar een rechtvaardig en mensgericht invorderings- en incassostelsel’ wordt geschreven over de oproep vanuit de VNG om de grote opgaven rondom bestaanszekerheid aan te pakken en de bijbehorende rol van de gemeente als invorderaar.

4. Onderschrijft het college de oproep vanuit de VNG om in de rol van schuldeiser uit te gaan van vertrouwen, door sociale incasso verder te verwerken in alle invorderingsprocessen?

5. Wat voor beleid voert de gemeente Maastricht momenteel rondom het bevorderen van een zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde incasso?

6. Hoe houdt de gemeente Maastricht momenteel toezicht op de betrokken commerciële partij Cannock Chase omtrent het uitvoeren van zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde incasso? In dit position paper herhaalt de VNG ook de oproep van de vorige betrokken staatssecretaris om gratis betalingsherinneringen te sturen, omdat deze een positief effect hebben op het betaalgedrag van inwoners.

7. Maken zowel de gemeente Maastricht als Cannock Chase gebruik van gratis betalingsherinneringen om zo inwoners te stimuleren en schuldproblematiek te voorkomen? In een artikel over parkeerproblematiek in Amsterdam heeft AT5 bericht over de parkeerindustrie en het verdienmodel daarachter. In Amsterdam ontvangt de commerciële partij waaraan het parkeerbeheer is uitbesteed namelijk een bonus als voldoende mensen beboet worden. Ook krijgt de algemeen directeur dan een bonus uitbetaald. Dit zorgt voor een financiële prikkel om het aantal uitgedeelde boetes zo hoog mogelijk te krijgen, waardoor het publiek belang niet meer voorop staat. De SP-fractie is tevreden dat het parkeerbeheer an sich in Maastricht niet is uitbesteed aan een commerciële partij, maar maakt zich wel zorgen over het verdienmodel achter het innen en afhandelen van de naheffingsaanslagen bij parkeerboetes, en de afhandeling van bezwaren daartegen.

8. Kan uw college toelichten voor welke periode het contract met Cannock Chase is afgesloten, en hoe het contract met Cannock Chase is opgebouwd en of er sprake is van bonussen bij aantallen geinde boetes en afgehandelde bezwaren, en de gemeenteraad informeren ? Als het antwoord op het laatste deel van de vraag ‘ja’ is, wat houden deze bonussen in en wat zijn hiervoor de voorwaarden?

9. Deelt het college de opvatting van de SP-fractie dat het in de hand nemen van een commerciële partij bij het innen van parkeerboetes, en de afhandeling van bezwaren tegen die boetes, onwenselijk is door het gebrek aan controle op omgang met onze inwoners? Zo nee, kan het college toelichten waarom niet? Zo ja, welke gevolgen dient dat volgens uw college voor de toekomstige inrichting van dit stelsel te hebben?

10. Als het mogelijk is voor een commerciële partij om winst te maken aan het overnemen van gemeentelijke taken die bij in eigen beheer houden zouden zorgen voor gemeentelijke inkomsten, deelt het college de opvatting van de SP-fractie dan dat het onwenselijk is om op deze manier gemeentelijke inkomsten mis te lopen? Zo nee, kan het college toelichten waarom niet?

11. Is de gemeente Maastricht bereid om te onderzoeken of het innen en afhandelen van bezwaren op parkeerboetes na het verstrijken van termijn van de huidige aanbesteding weer in gemeentelijke handen terug kan worden gebracht, eventueel in een samenwerking met ander Zuid-Limburgse gemeenten? Zo ja, wanneer mag de gemeenteraad een verslag van dat onderzoek ontvangen?

Zo nee, waarom niet? Hoogachtend, Stephanie Blom Sem Bonte Raadslid SP Burgerraadslid SP

Maastricht, 20 maart 2025
Schriftelijke vragen SP investeren in beweegvriendelijke omgeving en de financiële situatie bij VV Maastricht West.

Geacht college,

Helaas was de fractie van de SP op woensdag 26 februari, toen het bovenstaande onderwerp aan de orde kwam, verhinderd wegens verplichtingen elders in de stad. Wij hadden naast onze bijdragen ook een aantal vragen willen stellen. Nu ook de hectiek van de Vastelaovend ruim achter de rug is, kruipen we weer in de pen en willen we onze vragen alsnog aan de wethouder en het college voorleggen.

Sport en beweging is goed voor lijf en leden, en ook de psyche vaart er wel bij. Ons devies is dan ook: zo vroeg mogelijk beginnen en zo lang mogelijk doorgaan. Sporten heeft een preventieve functie op het gebied van gezondheid en is daarom extra belangrijk in tijden van tekorten en bezuinigingen in de zorg. Investeren in een beweegvriendelijke omgeving lijkt ons dan ook een logische keuze. Wel hebben we nog enkele vragen:

  1. Waarom heeft het zolang geduurd voordat er concrete actie werd ondernomen rond de faciliteiten van Jekerdal? De vereniging wacht al sinds 2017. De kosten zijn in de tussentijd met 330.000 euro gestegen, waardoor er nu maar liefst 900.000 euro wordt gereserveerd. Kan de wethouder dit ‘wachten’ verklaren? Wie draagt hiervoor de verantwoordelijkheid?
  1. Kan de wethouder uitleggen hoe ‘het recht van uitdaging’ rond de bouw precies in elkaar zit? Tijdens de laatste domeinvergadering over dit thema was dat voor ons nog niet volledig duidelijk. Aangezien wij op 26 februari niet aanwezig konden zijn bij de raadsvergadering, willen wij graag verduidelijking, met name over de financiële opzet. Wat zijn precies de voordelen voor de gemeente en welke voor de stichting?
  1. Wat zou dit project de gemeente kosten als het volledig in eigen beheer zou worden uitgevoerd? Vormt dit de reden om het project ‘uit handen’ te geven? Kunt u dat toelichten en cijfermatig onderbouwen?
  1. Klopt het dat de faciliteiten ook aan derden verhuurd mogen worden? Hoe verhoudt dit zich tot andere verenigingen die dat niet mogen? Wat zijn de precieze afspraken hierover? Mag een stichting winst maken met deze verhuur, of ligt dat anders? Wordt Sportpark Jekerdal een uitzondering, en zo ja, waarom.
  2. Naast velden en gebouwen spelen er binnen sportverenigingen ook andere belangrijke factoren mee, zoals de inzet van vrijwilligers die de club draaiende houden en de sociale functies die een vereniging vervult.
  3. Als zich op dat vlak problemen voordoen, wie is binnen de gemeente verantwoordelijk voor het vinden van een oplossing? Is dit een taak van Maastricht Sport?
  4. Een concreet voorbeeld: voetbalclub Maastricht West:

Maastricht West heeft een hardnekkige restschuld bij de gemeente waar zij maar niet vanaf komen. We lezen in de media dat MVV Academy en een cricketclub, gebruik gaat maken van de faciliteiten van Maastricht West en we nemen aan, dat dit tot een extra inkomstenstroom leidt voor de gemeente.

    1. Is hier overleg over tussen de partijen en college? Hoe staan partijen t.o.v. de plannen? 
    2. Klopt het dat Maastricht West een schuld heeft bij de gemeente? Zo ja, hoe hoog is die schuld en waardoor is die ontstaan? Wat zijn de afspraken met West rond deze schulden?  
    3. Gaan MVV en de cricketclub huur/gebruikskosten betalen voor het gebruik van de voorzieningen van Maastricht West? Zo ja, hoe hoog is dat bedrag? Zo nee, waarom niet?  
    4. Is uw college bereid om de restschuld van Maastricht West kwijt te schelden en daarvoor gecompenseerd te worden door de nieuwe inkomstenbronnen, zodat de voetbalclub weer kan ademen en met een schone lei beginnen? Zo ja, wanneer mogen zij die kwijtschelding tegemoetzien? Zo nee, waarom niet?
    1. We redden een commerciële profclub als MVV; gaan we ook deze amateurs in West helpen? Kan de wethouder hier een standpunt over innemen? Kan de wethouder toezeggen dat deze specifieke casus op korte termijn uitgebreid aan de raad zal worden toegelicht?Wij zien uw antwoorden met belangstelling tegemoet.

Hoogachtend,

Jack van Gelooven

Fractievoorzitter SP

Maastricht, 19 maart 2025
Schriftelijke vragen SP - Stand van zaken Palace Wyck

Geacht college, Op 15 maart 2025 verscheen er in de Limburger een artikel met betrekking tot de bouw van het Palace-hotel. In dit artikel wordt de situatie geschetst dat de bouw van het Palace-hotel steeds onwaarschijnlijker wordt, vanwege verschillende redenen. Met name de recente ontwikkelingen rondom het aandeelhouderschap van architect Wiel Arets worden aangehaald. De SP kan zich voorstellen dat inwoners van Maastricht door de bomen het bos niet meer zien, mede door de verschillende facetten van de casus en de vele rapportages vanuit de lokale media door de tijd heen. Vandaar dat de SP de volgende vragen graag bij het college neerlegt.

1. Is het college het eens met de SP dat de raad een zo compleet en helder mogelijk beeld moet hebben over een bespreekstuk voorafgaand van een bespreking, uit het belang van het democratisch proces?

2. Is het college het eens met de SP dat het college jegens de raad een verantwoordelijkheid draagt om een zo goed mogelijke informatievoorziening te faciliteren?

3. Is het mogelijk om vanuit het college een feitenrelaas te ontvangen over de ontwikkelingen rondom de casus bouw Palace-hotel vanaf 2016? Dit om de raadsleden een zo volledig en helder mogelijk beeld te geven over deze casus, voorafgaand aan de bespreking op 1 april en de besluitvorming op 15 april (initiatiefvoorstel).

a. Zo ja, is het mogelijk om deze feitenrelaas, wellicht via een raadsinformatiebrief, te ontvangen voor 1 april a.s.?

b. Zo nee, waarom niet?

Hoogachtend,

Jack van Gelooven, fractievoorzitter SP Jonathan Schoen, burgerlid SP

Maastricht, 19 maart 2025
Schriftelijke vragen SP over het investeren in de Maastricht Brightlands Health Campus en de ‘MakerSpace’.

Geacht college,

De ‘Brightlands Maastricht Health Campus’. Klinkt indrukwekkend, niet? Een plek waar innovatie en ondernemerschap samenkomen, waar de toekomst wordt gesmeed met hippe termen als ‘valorisatie’, ‘incubator’, narratief, business case en ‘MakerSpace’. Maar laten we eerlijk zijn: voor de gemiddelde Maastrichtenaar is dit vooral een dure droom vol ronkende projectplannen en abstracte beloftes. En ondertussen, als je daar rondloopt, zie je vooral een onooglijke parkeerplaats vol auto’s met Duitse kentekens. Maar goed, we gaan als stad wél miljoenen investeren in deze campus. Gemeenschapsgeld. Van de Maastrichtenaar. Dus mogen we op zijn minst begrijpen waar we aan beginnen?

Dat brengt ons bij de zogenaamde ‘MakerSpace’, een initiatief dat binnen deze campus moet zorgen voor innovatie en bedrijvigheid. Dat klinkt fraai, maar wat betekent dat concreet voor de stad? Voor onze inwoners? Voor de gemeenschap? Want we kunnen nog zoveel investeren in de ‘economie van de toekomst’, maar als die toekomst vooral is weggelegd voor een selecte groep snelle ondernemers en internationale investeerders, dan laten we de gewone Maastrichtenaar (wederom) in de kou staan. Daarom heeft de SP een aantal vragen voor het college:

  1. Hoe legt u in begrijpelijke taal uit waarom we als stad überhaupt miljoenen willen investeren in de Brightlands-campus?
  2. Wat levert deze investering concreet op voor Maastricht? Hoe wordt de maatschappelijke meerwaarde zichtbaar en voelbaar?
  3. Wie profiteert volgens het college het meeste van deze ontwikkelingen? Zijn dat de inwoners van Maastricht of toch vooral externe partijen?
  4. Wat heeft Jan met de Pet hieraan? Hoe vertalen deze investeringen zich in werkgelegenheid, kansen en vooruitgang voor onze eigen mensen?
  5. Wij lezen op de website van de Maastricht Brightlands Health Campus bij openstaande vacatures dat er welgeteld één concrete vacature open staat. Hoe verklaart de wethouder deze situatie terwijl we gelijktijdig, met als beoogde doel het stimuleren van de werkgelegenheid, miljoenen investeren?
  6. We weten dat er onlangs een mooi narratief is geschreven en dat er gewerkt wordt aan een uitgebreide businesscase. Kan het college garanderen dat deze niet alleen in jargon en wollige taal wordt opgesteld, maar ook begrijpelijk en toegankelijk is voor de doorsnee inwoner?
  7. In dat kader dagen wij de wethouder uit om in maximaal 1 à 2 A4’tjes het verhaal van de campus te vertellen aan de gewone Maastrichtenaar. Daarbij moet vooral worden ingezoomd op de maatschappelijke waarde en het praktische nut van deze investeringen. Kan het college toezeggen dat dit verhaal via een Raadsinformatiebrief (RIB) met de raad wordt gedeeld en op het juiste moment via diverse kanalen aan onze inwoners wordt gecommuniceerd?

We verwachten geen ronkende volzinnen of vage beloftes, maar een verhaal dat Maastrichtenaren snappen en waarin ze zich herkennen. Want de komende jaren miljoenen gemeenschapsgeld investeren zonder voldoende draagvlak en inzicht? Dat is niet de manier waarop wij politiek willen bedrijven.

Hoogachtend,

Jack van Gelooven
Fractievoorzitter SP

Maastricht, 18 maart 2025
Schriftelijke vragen - Staat rechtsbescherming en sociale advocatuur gemeente Maastricht

Geacht college, Uit diepgravend onderzoek van Platform Investico blijkt opnieuw dat de toegang tot rechtsbescherming ernstig onder druk staat vanwege de voortdurende afbraak van de sociale advocatuur. Door aanhoudende bezuinigingen op gesubsidieerde rechtsbijstand zijn er steeds minder advocaten beschikbaar om kwetsbare burgers juridisch bij te staan. Al jaren waarschuwen advocaten, rechtsgeleerden, en de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) in diverse media, waaronder Trouw, NRC en De Volkskrant, voor de gevolgen van deze ontwikkeling, zoals dat steeds meer burgers afzien van juridische procedures omdat zij zich geen betaalbare juridische hulp kunnen veroorloven. Dit leidt niet alleen tot toenemende ongelijkheid, maar ook tot situaties waarin burgers hun recht simpelweg niet kunnen halen. Deze ontwikkelingen hebben bij onze fractie de nodige vragen opgeroepen over de stand van de rechtsbescherming en de toegankelijkheid van de sociale advocatuur in de gemeente Maastricht.

1. Hoe beoordeelt uw college de huidige toegankelijkheid van de sociale advocatuur in Maastricht?

2. Zijn er bij uw college concrete signalen of klachten bekend van en/of over inwoners die moeilijkheden ervaren bij het verkrijgen van betaalbare juridische hulp? Zo ja, mag de gemeenteraad een schets van de problematiek ontvangen?

3. Welke gevolgen ziet uw college op lokaal niveau door de afname van sociale advocaten?

4. Heeft uw college contacten met lokale advocaten, of met de lokale afdeling van de NOvA, om inzicht te krijgen in de mate waarin zij hun werk nog kunnen uitvoeren onder de huidige omstandigheden? Zo ja, wat is het beeld dat uit die contacten opdoemt? Een belangrijke rol bij het versterken van de rechtspositie van kwetsbare burgers ligt wat de SP bij de zogenoemde sociaal raadslieden. Sociaal raadslieden bieden inwoners op laagdrempelige wijze advies en hulp bij juridische en maatschappelijke kwesties. Hun taken omvatten onder andere ondersteuning bij sociale zekerheid, belastingzaken, toeslagen, schuldenproblematiek, consumentenkwesties en arbeidsrecht. Omdat zij door gemeenten worden gefinancierd, zijn sociaal raadslieden onafhankelijk van commerciële belangen, hoeven zij zich geen zorgen te maken over hun pensioenopbouw zoals sociaal advocaten dat wel doen, en zijn zij daardoor bijzonder effectief in het voorkomen en oplossen van juridische problemen voordat deze escaleren. Gemeenten als Nijmegen, waar sociaal raadslieden al jarenlang succesvol worden ingezet, hebben laten zien dat deze professionals onmisbaar zijn om juridische zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie te bevorderen en het gat dat in de sociale advocatuur geslagen enigszins te dichten.

5. Heeft Maastricht momenteel sociaal raadslieden in dienst of worden zij gefinancierd door de gemeente, vergelijkbaar met steden als Nijmegen? Zo ja, om hoeveel raadslieden gaat het in dezen?

6. Indien Maastricht momenteel geen sociaal raadslieden in dienst heeft, welke redenen liggen hier dan aan ten grondslag, en is het college bereid om te onderzoeken of en hoe sociaal raadslieden alsnog geïntroduceerd kunnen worden? Zo ja, wanneer mag de gemeenteraad de uitkomsten van dat onderzoek tegemoet zien? Zo nee, waarom niet? Ook de figuur van de Gemeentelijke Ombudsman verdient wat de SP betreft onze aandacht als belangrijk instrument voor het versterken van rechtsbescherming en vertrouwen tussen burgers en overheid. Een gemeentelijke ombudsman functioneert als onafhankelijke instantie waar inwoners terecht kunnen voor klachten over gemeentelijke diensten, ambtenaren of bestuurders. Gemeenten als Den Haag maken al geruime tijd naar tevredenheid gebruik van een Gemeentelijke Ombudsman. Uit ervaringen in steden als Den Haag blijkt dat het hebben van een onafhankelijke Gemeentelijke Ombudsman bijdraagt aan transparantie, het sneller oplossen van conflicten en het herstellen van het vertrouwen in de lokale overheid. Bovendien zorgt deze functie ervoor dat klachten effectief behandeld worden, waardoor onnodige juridische procedures en kosten voor alle betrokken partijen voorkomen kunnen worden.

7. Heeft de gemeente Maastricht in het verleden ooit een Gemeentelijke Ombudsman ingesteld, vergelijkbaar met steden als Den Haag? Indien dat het geval was, kan uw college aangeven waarom deze functie niet langer bestaat? Mocht deze nooit bestaan hebben, waarom niet?

8. Acht het college het wenselijk om een Gemeentelijke Ombudsman als onafhankelijke instantie voor klachtenbemiddeling en het verbeteren van de rechtsbescherming van inwoners in te stellen? Zo nee, waarom niet?

9. Zo ja, welke stappen is het college bereid te zetten om de haalbaarheid en wenselijkheid van een gemeentelijke ombudsman voor Maastricht op korte termijn te onderzoeken? En wanneer mag de gemeenteraad een relaas van bevindingen dienaangaande tegemoetzien? Dan het Huis van het Recht in Heerlen. Dat is een initiatief dat in 2020 door een samenwerkingsverband van de rechtbank Limburg, de gemeente Heerlen, en het Juridisch Loket is opgericht met als doel om inwoners laagdrempelige toegang te bieden tot juridische ondersteuning en advies. Daarnaast sluiten ook ketenpartners als het Openbaar Ministerie, de Raad voor de Kinderbescherming en de woningcorporaties aan. Dit initiatief bundelt verschillende vormen van juridische dienstverlening onder één dak, waaronder sociaal raadslieden, advocaten, juristen en getrainde vrijwilligers. De kernactiviteiten van het Huis omvatten onder meer hulp bij schuldproblemen, arbeidsrechtelijke conflicten, huurkwesties en sociale zekerheidsvraagstukken. Het initiatief is ontstaan vanuit de wens om rechtshulp dichter bij de burger te brengen, juridische drempels weg te nemen en het vertrouwen tussen inwoners en overheid te versterken. Uit ervaringen blijkt dat dergelijke voorzieningen bijdragen aan een snellere en effectievere conflictoplossing, het voorkomen van escalatie van problemen en het bevorderen van maatschappelijke participatie van inwoners.

10. Hoe beoordeelt uw college het concept en de werkwijze van het Huis van het Recht in Heerlen, en welke specifieke voor- en nadelen ziet het college in de eventuele oprichting van een vergelijkbaar Huis van het Recht in Maastricht?

11. Heeft het college reeds onderzocht of geïnventariseerd of er binnen Maastricht behoefte bestaat aan een vergelijkbare voorziening? Zo ja, mag de gemeenteraad een overzicht van de uitkomsten van dat onderzoek ontvangen? Zo nee, waarom niet?

12. Welke mogelijke partners en stakeholders ziet uw college als essentieel om een Huis van het Recht in Maastricht succesvol op te zetten?

13. Is het college bereid om op korte termijn een (hernieuwd) wenselijkheids- en haalbaarheidsonderzoek uit te voeren naar de implementatie van een Huis van het Recht in Maastricht? Zo ja, op welke termijn mag de gemeenteraad de uitkomsten van dat onderzoek tegemoetzien? Zo nee, waarom niet? Onze fractie ziet de beantwoording met grote interesse tegemoet.

Hoogachtend, Stephanie Blom Raadslid SP

Maastricht 18 maart 2025
Aanvullende vragen re-integratieketen 

Vraag 1: U stelt in de RIB: “MTB plaatst momenteel mensen extern bij werkgevers en werkt nu vooral als SW-bedrijf waar medewerkers in interne werkplaatsen hun werk doen.” Kunt u dit onderbouwen? Want uit het bovenstaande blijkt echter dat driekwart van de medewerkers extern werkt.   
Antwoord 1: Het is bekend dat wsw-medewerkers zowel intern bij MTB als bij externe werkgevers aan het werk zijn. De visie heeft betrekking op de doelgroep die valt onder de Participatiewet. Daarbij wordt nog meer dan nu al het geval is, de nadruk gelegd op werken bij externe werkgevers. Dat past bij de uitvoering van de Participatiewet die zich richt op een inclusieve arbeidsmarkt.

Aanvullende vraag 1: de MTB heeft naast haar wsw-taak al jarenlang als leerwerkbedrijf Maastricht-Heuvelland werkleerlijnen ingericht (15 stuks) en geeft daarmee gewoon invulling voor de 6 gemeenten aan de participatiewet. Waarbij ook mensen uitstromen naar reguliere werkgevers. Dus werkt niet vooral als SW-bedrijf zoals u dat in de hier bedoelde RIB schreef. Daarmee past de MTB in de visie. De MTB is onzes inziens op weg naar een mensontwikkelingsbedrijf. Kan het college uitleggen waarom dat volgens u niet zo zou zijn en u een andere afweging meent te moeten maken?

Vraag 2: Waarom kiest u voor een nieuwe structuur met de focus op Annex en Podium24 en niet om voort te bouwen op de bewezen structuur van de MTB nieuwe stijl?

Antwoord 2: in de nieuwe structuur wordt gekeken welke onderdelen van Podium24, Annex én MTB passend zijn bij de uitvoering van de Participatiewet. Deze worden overgeheveld naar het nieuwe mensontwikkelbedrijf. In de raadsinformatiebrief is te lezen dat de structuur van Annex en Podium24 wordt gekozen omdat Podium24/Annex al dichtbij werkgevers staan en een volledig pakket bieden van ontwikkeling, begeleiding, subsidie en beschut werk’. Bovendien werkt Podium24/Annex voor alle zes betrokken gemeenten en MTB N.V. slechts drie van de zes gemeenten als aandeelhouder heeft.

Aanvullende vraag 2. Kan het college aangeven wat hier precies bedoeld wordt met ‘passend’? Kunt u concrete voorbeelden geven van niet passende zaken? U schrijft dat Podium24/Annex al dichtbij werkgevers staat. Bent u het met ons eens dat dat ook al decennia geldt voor de MTB? MTB heeft een netwerk van meer dan 100 maatschappelijk verantwoorde bedrijven om zich heen verzameld.  MTB, Podium24 en Annex werken al jarenlang samen en daarmee heeft de MTB volgens ons net zo’n groot aandeel of zelfs groter, in het hele dienstenpakket als Podium24 en Annex hebben. Bent u het daarmee eens of hoe ziet u dat? Verder werd in de domeinvergadering al betoogd dat MTB ook werkt voor andere gemeentes (alle 6) die geen aandeelhouder zijn. Waarom wordt er dan een verschil gesuggereerd (u noemt MTB heeft slechts 3 aandeelhouders) met Podium24 op dit gebied? Waarom kiest u niet voor een organisatievorm waarbij de MTB op basis van gelijkwaardigheid onderdeel vormt van een integrale aanpak door het onderdeel participatie door de MTB te laten uitvoeren?

Het gaat toch meer om het uitvoeren van activiteiten, kennis en ervaring hiermee dan om organisatievorm lees NV? Kunt u ons uitleggen waarom dit op deze manier aan de orde wordt gesteld?

Vraag 3: In hoeverre hebben financiële overwegingen prioriteit op de sociale taakstelling op het gebied van mensen met een achterstand tot de arbeidsmarkt?

Antwoord 3: In de visie van de re-integratieketen staat de ontwikkeling van mensen voorop. Insteek daarbij is dat zoveel mogelijk vorm te geven via werkplekken bij reguliere werkgevers. In de overwegingen bij het formuleren van de visie hebben financiële overwegingen ook een rol gespeeld, omdat de doelgroep waar gemeenten voor verantwoordelijk zijn, groter en ingewikkelder wordt.

Aanvullende vraag 3: U schrijft dat er bij het formuleren van de visie ook financiële overwegingen hebben meegespeeld, maar geeft daar geen toelichting op. Die toelichting is uiteraard gewenst. Welke overwegingen speelden een rol, waarom zijn op financiële basis welke keuzes gemaakt of niet gemaakt. Kunt u de raad een overzicht geven van de relevante financiële aspecten die in dit dossier een rol spelen?  

Vraag 4: U stelt in de RIB: “De Pw streeft naar een inclusieve arbeidsmarkt. Dit houdt in dat mensen werken bij werkgevers en niet in speciaal ingerichte werkplaatsen. Dat is niet alleen de wens van de gemeenten, maar ook werkgevers zijn hier klaar voor.” Los van het feit dat lang niet alle medewerkers van de MTB in speciaal ingerichte werkplaatsen werken (zie vraag 1): Kunt u onderbouwen op welke manier werkgevers hier klaar voor zijn, gegeven het feit dat momenteel slechts 14.7 procent van de werkgevers mensen met een achterstand tot de arbeidsmarkt bij hen in dienst zijn? Is marktonderzoek verricht?

Antwoord 4: Voor deze keuze is er goed gekeken naar hetgeen gemeenten in de rest van het land kiezen en zijn er ‘best practices’ opgehaald bij diverse ontwikkelbedrijven. Ook tijdens de raadsexcursie van 12 februari 2025 bij de Bovengrondse Vakschool in Heerlen is dit aan bod gekomen. Daarnaast is bekend dat er een tekort aan arbeidskrachten is, waardoor werkgevers meer dan vroeger het geval was, bereid zijn te investeren in de doelgroep.

Aanvullende vraag 4: U spreekt van best practices, welke zijn dat geweest en waarom zijn dit dan best practices. Wat is er dan precies zo goed aan dat Maastricht dat zou moeten overnemen? Op 12 februari zijn we naar Heerlen geweest. Dat is ook een best practice en waarom dan? Wat zouden we daar gezien en geleerd moeten hebben als raad? Er is een tekort aan arbeidskrachten dat klopt, echter er zijn nog heel weinig bedrijven die iemand in dienst nemen met een achterstand tot de arbeidsmarkt, laat staan mensen met een lichamelijke of andere beperking. De overheid geeft hierbij zelf het slechtste voorbeeld. Waaruit blijkt dat werkgevers willen investeren in de doelgroep en hoe ziet die investering er dan uit?

Vraag 5: In het rapport van KplusV wordt geadviseerd te kiezen voor sociaal werkbedrijf (variant 3) als opmaat naar een integraal werkbedrijf (variant 4). Waarom volgt u dit advies niet?

Antwoord 5: Het rapport van KplusV is door de colleges van de 6 gemeenten ter kennisname aangenomen (het collegebesluit van Maastricht dateert van 8 maart 2022). In dat collegebesluit zijn de adviezen vanuit het KplusV rapport niet overgenomen zonder toelichting waarom.

De colleges hebben in afwijking van het advies van KplusV besloten om de bestuurlijke voorkeursvariant 3 uit te laten werken.

De visie die nu voorligt is gebaseerd op variant 3. In de onderzoeken die ten grondslag liggen aan de visie re-integratieketen is onderbouwd waarom een fusie van de drie huidige uitvoeringsorganisaties niet opportuun zou zijn. Er is advies gegeven om te bouwen op de basis van Podium24 en Annex, maar wel met de infrastructuur, kennis en kunde van MTB, voor zover deze duurzaam inzetbaar zijn voor de Participatiewet, voor de doelgroep waar de gemeenten voor verantwoordelijk zijn.

Vervolgvraag 5: Naar onze informatie is het rapport van KplusV niet terzijde gelegd door de zes gemeenten maar is er een specifieke opdracht verleend om dit scenario verder uit te werken. Mocht uw bewering toch het geval zijn, willen we graag de bijhorende stukken ontvangen en alsnog van u de uitleg te ontvangen waarom dit dan is gebeurd? U lijkt uzelf tegen te spreken in het antwoord door te stellen, dat het rapport terzijde is gelegd maar dat u wel bent gestart met de uitwerking van de voorkeursvariant 3. In afwijking van het advies van KplusV? Wij menen dat dit toch de variant is die KplusV adviseert? Kunt u alsnog een toelichting geven rond de keuze van de zes gemeenten om de adviezen van KplusV niet over te nemen zoals u stelt?

U stelt dat er in allerlei rapporten zou te lezen staan en onderbouwd worden, waarom alsnog variant 3 te weten de fusie van partijen niet opportuun is. We hebben afgesproken tijdens de domeinvergadering dat wij alle ontbrekende rapporten alsnog gaan ontvangen. In welk van deze documenten staat expliciet uitgelegd hoe het proces en de uiteindelijke keuzes zijn gemaakt en onderbouwd? Van wie heeft u advies gekregen en waarop werd dit advies gefundeerd, over het verder bouwen op de basis van Podium24 en Annex?

Vraag 6: Is het juist dat u aanvankelijk van plan was om de MTB door te ontwikkelen tot een mensontwikkelbedrijf? En zo ja, waarom komt u nu met een ander voorstel?

Antwoord 6: Nee. De colleges van de zes gemeenten in Maastricht-Heuvelland hebben in maart 2022 besloten de opdracht te verstrekken om de randvoorwaarden en gevolgen van de bestuurlijke voorkeursrichting variant 3 nader uit te werken in een businesscase. Bij die opdracht zijn voorshands geen aannames gedaan welke organisatie zou moeten worden doorontwikkeld, te meer omdat het belang van de infrastructuur boven het behoud van de organisaties wordt gesteld.

Vervolgvraag 6: De uitwerking van de variant drie spreekt van een samenvoeging tussen de drie partijen. Waarom is van deze route afgeweken?

Vraag 7: U stelt dat onderdelen van de MTB t.z.t. worden overgeheveld naar het nieuwe mensontwikkelbedrijf? Waarom kiest u er niet voor om die taken, gelet op de bestaande infrastructuur en de kennis en ervaring, niet bij de MTB te behouden?

Antwoord 7: In de nieuwe structuur wordt gekeken welke onderdelen van Podium24, Annex én MTB passend zijn bij de uitvoering van de Participatiewet. Deze worden overgeheveld naar het nieuwe mensontwikkelbedrijf. Er wordt gekeken naar de bestaande infrastructuur van zowel Podium24, Annex en MTB gezamenlijk. Zie ook de beantwoording bij vraag 2.

Vervolgvraag 7: Hoe moeten we passend en daarmee ook niet passend, zien. Kun u dit toelichten met concrete voorbeelden uit de praktijk van de MTB? Kunt u ons ook aangeven hoe dat overhevelen precies gaat verlopen? Koopt het nieuwe mensontwikkelbedrijf diensten en services over van de MTB? Hoe ziet u het plaatsten van leerwerklijnen bij reguliere werkgevers voor u? Dienen zij personeel die deze lijnen kan vormgeven, mee over te nemen als werknemer of in te huren?

Vraag 8: In het rapport van KplusV staat (op pagina 25): “De focus van Podium24 is (te) sterk gericht op werkgevers, passiever voor onderkant doelgroep Participatiewet (Nieuw beschut/LKS): en “door commerciële inslag (is Podium) soms te ‘los’ van de keten functionerend’. In hoeverre kunt u dat verenigen met uw uitgangspunt dat inwoners met afstand tot de arbeidsmarkt ondersteunen bij het vinden van een baan” leidend is?

Antwoord 8: Het rapport van KplusV van 5 augustus 2021 is door de colleges van de 6 gemeenten voor kennisgeving aangenomen en daarmee zijn de adviezen vanuit dit rapport niet overgenomen. In maart 2022 hebben de colleges van de 6 gemeenten vervolgens de opdracht tot de businesscase gegeven. Deze richt zich op de Participatiewet en dus op de gemeentelijke taak om inwoners te ondersteunen in hun ontwikkeling en het vinden van een baan in een inclusieve arbeidsmarkt. Het college is van mening dat Podium24 goed functioneert en onderschrijft het belang van een gezamenlijke doorontwikkeling van de re-integratieketen met Annex, Podium24 en MTB.

Aanvullende vraag 8: Op basis van onze informatie is er wel degelijk een opdracht gegeven aan de uitvoeringsorganisatie om variant 3. Nader uit te werken. Kunt u dit verschil verklaren? Hoe kunt u stellen dat Podium24 goed functioneert? Waarop is deze mening gebaseerd?

En hoe ziet u dan het feit dat Maastricht al jarenlang onder presteert in het creëren van werk voor mensen met een arbeidsbeperking en jarenlang de targets niet heeft gehaald? En dat deze situatie op dit moment nog steeds aan de hand is?

Citaat uit RIB 15 maart 2022:

“De uitvoerders binnen de re-integratieketen (Annex, Podium24, MTB en Sociale

Zaken Maastricht- Heuvelland) hebben de opdracht gekregen om Voorkeursvariant 3 verder uit te werken en in beeld te brengen wat nodig is om deze variant te kunnen realiseren. Dit nadrukkelijk in afstemming met de betrokken gemeenten. Zodat uiterlijk in het vierde kwartaal 2022 definitieve besluitvorming kan plaatsvinden. Voorkeursvariant 3 houdt in de samenvoeging van de uitvoeringsorganisaties Annex, Podium24 en MTB. Wat moet resulteren in een effectievere en efficiëntere dienstverlening richting onze inwoners en meer inzicht en overzicht voor ons als gemeente. Deze samenvoeging past ook uitstekend bij de uitgangspunten “van veelvoud naar eenvoud” en “van veelheid naar eenheid” in het kader van het programma Duurzaam Sociaal Domein.”

Vraag 9: Wat betekent een overheveling voor de medewerkers van bedrijfsonderdelen zoals Business Post Limburg, Impreso en de productie van hoogwaardige fietswielen?

Antwoord 9: In de raadsinformatiebrief is te lezen dat de mensen die werken onder de wsw hun (wettelijke) rechten behouden. Door de natuurlijke uitstroom van de wsw, onder andere door pensionering, kan het deel van MTB dat belast is met de uitvoering van de wsw, zorgvuldig worden afgebouwd.

Vervolgvraag 9: wat betekent die overheveling? Dat was de vraag. Dat de rechten behouden blijven is fijn, maar hoe gaat dat overhevelen in zijn werk en wat betekent dat voor de mensen die daarbij betrokken zijn? Hoe gaat een dergelijk proces verlopen? Hoe worden mensen betrokken bij die veranderingen en hebben ze inspraak of een keuze?

Vraag 10: De omzet van de MTB bedraagt nu circa € 15 miljoen euro per jaar. Op welke manier wordt de omzetderving gecompenseerd als bedrijfsonderdelen worden overgeheveld?

Antwoord 10: De omzet van MTB zal de komende jaren dalen vanwege het natuurlijk verloop van uitstroom van de WSW doelgroep. De capaciteit om omzet te genereren neemt hierdoor namelijk af. De overheveling van bedrijfsonderdelen leidt niet automatisch tot omzetderving. Bedrijfsonderdelen (capaciteit, kennis, kunde, ontwikkelingsactiviteiten, etc.) die duurzaam inzetbaar zijn voor de Participatiewet worden namelijk ondergebracht in het mensontwikkelbedrijf of bij de opdrachtgever/werkgever zelf.

Vervolgvraag 10: Kunt u uitleggen hoe overname van bedrijfsonderdelen niet automatisch zal lijden tot omzetderving. Als je bij de MTB-zaken weghaalt gaat daarmee de omzet bij de MTB omlaag. Of krijgt de MTB een vergoeding voor de overgehevelde onderdelen of geleverde diensten die gelijk is of wellicht hoger, aan het zelf genereren van omzet in de oude situatie?

Vraag 11: Kunt u (indicatief) aangeven hoeveel kosten ermee gemoeid zijn om een nieuw mensontwikkelbedrijf op te richten?

Antwoord 11: Nee, de kosten zullen in het meerjarentransformatieplan worden opgenomen.

Vervolgvraag 11: een grote transitie zoals het voorliggende plan zonder enig idee van de kosten lijkt ons geen goed idee en onverantwoord beleid.  Is er werkelijk geen indicatie te geven van kosten c.q. besparingen. Bezuinigingen? De wens tot transitie en veranderingen komt toch niet zomaar uit de lucht vallen? Er heeft vast al iemand zitten rekenen. Kunnen we die eerste financiële schetsen van u ontvangen?

Vraag 12: De MTB heeft nu vijftien leerwerklijnen die onderdeel vormen van de reguliere bedrijfsvoering. In hoeverre worden deze leerlijnen gewaarborgd indien deze taak wordt overgeheveld naar Podium24 of de individuele werkgevers?

Antwoord 12: In de visie re-integratieketen is verwoord dat zorgvuldig wordt onderzocht welke onderdelen van het huidige MTB passend zijn bij de voorziene uitvoering van de Participatiewet en overgeheveld kunnen worden naar het nieuwe mensontwikkelbedrijf, en welke onderdelen van de infrastructuur daarin niet (meer) passend zijn en gefaseerd afgebouwd moeten worden. Zoals al is aangegeven in de beantwoording bij vraag 9 gebeurt dat alleen waar mogelijk, rekening houdend met en zonder schending van de wettelijke rechten van de Wsw’ers.

Vervolgvraag 12: kunt u aangeven wat het belang voor MTB zal zijn om delen (krenten uit de pap) van het bedrijf af te stoten of te laten overhevelen naar het nieuwe mensontwikkelbedrijf? Wanneer er samen met de leerwerklijnen ook mensen mee worden overgeheveld naar het nieuwe bedrijf, hoe wordt dan omgegaan met bijvoorbeeld salarissen? Is de overgang vrijwillig?

Vraag 13: De MTB verzorgt nu voor de zes gemeenten de leerwerklijnen. In hoeverre dragen de gemeenten daar financieel aan bij en in hoeverre wordt de voorzetting daarvan geborgd?

Antwoord 13: De MTB voert voor Eijsden-Margraten, Meerssen en Maastricht de werkvoorziening voor de wsw uit. Tevens zijn er voor inwoners van de 6 gemeenten vanuit de PW wet interne leerwerklijnen. Podium24 voert de leerwerktrajecten bij externe werkgevers uit. De financiering van de MTB bestaat uit verschillende componenten waaronder de gemeentelijke subsidie voor de loonkosten wsw (rijksbijdrage), de gemeentelijke bijdrage voor het MTB-exploitatietekort, de gemeente Maastricht betaald jaarlijks een bijdrage van € 150.000,00 en het positieve resultaat van Annex is de afgelopen jaren in de MTB gestort. Bedrijfsonderdelen (capaciteit, kennis, kunde, ontwikkelingsactiviteiten, etc.) die duurzaam inzetbaar zijn (hieronder vallen ook de leerwerklijnen van MTB) voor de Participatiewet worden ondergebracht in het mensontwikkelbedrijf of de bij de opdrachtgevers/werkgevers. Het mensontwikkelbedrijf heeft als doelstelling namelijk ontwikkeling en plaatsing van mensen in een inclusieve arbeidsmarkt.

Vraag 14: De laatste uitspraak van het antwoord zou direct te vertalen zijn naar samenvoeging van Annex (analyse), MTB (ontwikkeling) en Podium24 (uitstroom). De MTB werkt samen met het VISTA College. In hoeverre is of wordt het VISTA College betrokken bij de verdere besluitvorming?

Antwoord 14: Het VISTA College is om dit moment nog niet betrokken bij de besluit vorming. Na besluitvorming gaan we alle stakeholders van Podium24, Annex en MTB betrekken bij het meerjarentransformatieplan. Ook met het Vista college gaan we dan graag in gesprek. Voor de transformatie is naar schatting rekening gehouden met een van termijn 5 jaar.

Vervolgvraag 14: Is het VISTA tot op heden op geen enkele manier betrokken geweest bij het opstellen van uw visiedocument? Weet VISTA dus niet wat er speelt? Kunt u inschatten wat de transitie voor VISTA gaat betekenen? U heeft daar hopelijk toch al bij stil gestaan? Dit geldt natuurlijk ook voor andere stakeholders zoals klanten en werkgevers? Die toch een doorslaggevende rol kunnen spelen bij wel of geen succesvolle transitie.

Vraag 15: In het rapport van KplusV staat dat de infrastructuur van de MTB-potentieel meer ruimte biedt voor meer leerwerkplekken’. (Zie pagina 10) In hoeverre wordt deze mogelijkheid geborgd indien ervoor gekozen wordt leerwerkplekken in de toekomst bij werkgevers te leggen?

Antwoord 15: De doelgroep die onder de Participatiewet valt is divers. Leerwerkplekken zijn bedoeld als opstart voor uitstroom naar (gesubsidieerd) werk bij externe werkgevers. Interne leerwerkplekken zijn voor een deel van de doelgroep noodzakelijk als eerste opstart voor externe leerwerkplekken en zullen in het mensontwikkelbedrijf gehandhaafd blijven waar dat nodig wordt geacht. Voor een bepaald gedeelte van de doelgroep beschut werk is er behoefte aan interne werkplekken, die ook geborgd blijven.

Vervolgvraag 15: een bepaald gedeelte van de doelgroep beschut werk heeft behoefte aan interne werkplekken. Kun u schetsen hoe die plekken er dan uitgaan zien? Is dit gewoon betaald werk inclusief alle secundaire arbeidvoorwaarden die je mag verwachten?

Vraag 16: U stelt dat gemeenten altijd zullen blijven zorgen voor een beschermde werkomgeving (“Nieuw beschut”). In hoeverre blijft dat bij de MTB, gelet op de sterfhuisconstructie?

Antwoord 16: In de visie re-integratieketen staat: “Dat wil niet zeggen dat er dan geen beschermde werkplekken meer zijn voor (oud) beschut werk voor de Wsw’ers of Nieuw Beschut. Gemeenten zullen deze voorziening altijd in de lucht houden. Aanvankelijk ligt het voor de hand om daarbij gebruik te maken van de voorzieningen aan de Watermolen, maar dat kan in de loop der tijd verschuiven. Zoals elders in dit document al wordt vermeld, er kan worden onderzocht hoe een nauwere samenwerking met Vidar en/of WOZL kan worden vormgegeven. In het meerjarentransformatieplan zal ook worden opgenomen op welke locatie de gemeenten hun dienstverlening willen aanbieden; dat kan lokaal zijn in de wijken en buurten van de betrokken gemeenten of in de samenwerking met arbeidsmatige dagbesteding.”

Vervolgvraag 16: Deze interne werkplek betreft betaald werk of moeten we dat anders zien? Het werken in buurten en wijken (mensen in nieuw beschut), wordt dat betaald werk of vrijwilligerswerk?

Vraag 17: Hoeveel mensen met een (arbeids-)beperking hebben sinds de invoering van de Participatiewet op 1 januari 2015 in het werkgebied via Podium24 en/of SZMH aan een reguliere baan gekregen?

Antwoord 17: Cijfers sinds de invoering van de Participatiewet op 1 januari 2015 zijn niet meer te herleiden. Op peildatum 1 maart 2025 heeft SZMH 399 inwoners waarvoor de werkgever een loonkostensubsidie ontvangt (voor de gemeente Maastricht zijn dit er 298 inwoners).

Vervolgvraag 17: waarom zijn die cijfers niet meer te achterhalen? Er behoren archieven te zijn die we als raad kunnen inzien? We zouden die cijfers toch graag boven water willen krijgen omdat die strakjes kunnen illustreren of de hele transitie een verbetering betekent in plaatsingen naar regulier werk of alsnog nog steeds niet naar behoren werk. Graag uw plan van aanpak en voorstel om dit te regelen en de raad van de juiste informatie te voorzien.

Vraag 18: Hoeveel mensen met een (arbeids-)beperking in het werkgebied zijn nog ingeschreven als werkzoekend?

Antwoord 18: Werkzoekenden zijn ingeschreven bij het UWV en niet bij gemeenten. De doelgroep werkzoekenden is breder dan de doelgroep die valt onder de Participatiewet en waar gemeenten voor verantwoordelijk zijn (denk bijvoorbeeld aan inwoners met een WW-uitkering). Deze informatie is dan ook niet bekend.

Kijkend naar de doelgroep die in het kader van de Participatiewet een bijstandsuitkering ontvangt, gaat het om 45 inwoners binnen SZMH met een positief advies beschut werk (waarvan 36 uit de gemeente Maastricht) én 1538 inwoners binnen SZMH die in het doelgroepenregister staan geregistreerd (waarvan 1193 uit de gemeente Maastricht).

Vervolgvraag 18: betekent een positief advies beschut werk dat men ook een baan heeft in de reguliere markt? Zo nee, hoeveel mensen staan er dan op dit moment in de wacht? Wat doen die mensen op dit moment? Welk inkomen hebben ze? Kunt u uitleggen wat het door u genoemde doelgroepenregister is? Wat betekent een degelijke inschrijving voor betrokkenen?

Vraag 19: U stelt in de RIB: We ‘gooien geen oude schoenen weg voordat er nieuwe zijn.’ Uw denkrichting maakt de indruk dat u ‘het kind met het badwater weggooit’ door bestaande bewezen structuren te vervangen door een nieuwe ongewisse structuur. Wilt u toelichten waarom u niet kiest om de bestaande structuur van het sw-bedrijf om te vormen naar een mensontwikkelbedrijf? (Zie ook vraag 3).

Antwoord 19: Zie antwoord op vraag 2.

Vervolgvraag 19: zie vervolgvraag 2.

Vraag 20: U stelt in de RIB: “In de governance van de totale re-organisatieketen wordt ervoor gezorgd dat de gemeentebesturen meer in positie komen om sturing te geven.” Kunt u dit onderbouwen aangezien u kiest voor een gemeenschappelijke regeling (GR) En één van de kenmerken van een GR is dat de democratische controle van gemeenteraden beperkter is. Is er ook advies gevraagd over dit aspect bij de stadadvocaat? Indien ja, wat was het advies in deze?

Antwoord 20: In elke governance die niet direct onder de gemeente ressorteert, is de controle door de gemeente minder dan bij een rechtstreekse afdeling. In de onderzoeken die ten grondslag liggen aan de Visie re-integratieketen is onderzocht hoe de huidige governance-vormen worden ervaren en welke rechtsvorm het beste past bij de door de gemeenten gestelde doelen en uitgangspunten.

In het vergelijk met andere rechtsvormen en met name de Naamloze Vennootschap (MTB Maastricht N.V.) is de controle van de gemeentebesturen op een Gemeenschappelijke Regeling groter.

Hiervoor is de ‘Handreiking Verzelfstandiging en samenwerking bij decentrale overheden’ van het ministerie BZK als leidraad genomen, aangevuld met de eigen ervaringen van de betrokken gemeenten met reeds bestaande rechtsvormen. In het geval van het mensontwikkelbedrijf Maastricht/Heuvelland gaat het over een gezamenlijk openbaar belang van de zes gemeenten voor de uitvoering van een publieke taak waar samenwerking met privaatrechtelijke partijen mogelijk moet zijn. De gemeentebesturen willen rechtstreeks kunnen sturen op resultaten en financiële middelen en aansluiting bij de P&C cycli van de gemeenten.

Dit afwegingskader volgend, is de uitkomst dat een GR met een openbaar lichaam een passende governance is.

Vervolgvraag 20: tijdens de domeinvergadering van 11 maart heeft de raad een toezegging gehad dat wij tekst en uitleg krijgen over de mogelijke keuze voor een GR. Graag ook een beschrijving van overige mogelijke ander juridische opties in organisatievorm en samenwerkingsverbanden. En is uitgesproken dat de raad vreest dat er weinig ruimte voor de raad zal zijn om haar (controlerende) taken uit te kunnen voeren. Dit gestoeld op de stroperige en vaak ondoorzichtige processen zoals die plaats vinden bij diverse al bestaande Gemeenschappelijke Regelingen. Hoe denkt u dat het reguliere bedrijfsleven aankijkt tegen het aangaan van aangaan van overeenkomsten met een openbaar lichaam als in de GR-vorm? Hoe denkt onze stadadvocaat hierover?

Nieuwe vragen:

Vraag 21: Graag willen wij van het college een volledig overzicht ontvangen van de kosten tot heden die met het project re-integratieketen gemoeid zijn tot op heden. Graag een overzicht met betrekking tot alle rapporten en betaalde adviezen, de kosten voor interimmers, de kosten van de ingehuurde projectleider, accountants, advocaten en overige aan het project toe te rekenen kosten, zoals vrijgemaakte ambtelijke ondersteuning.

Vraag 22: we willen graag van het college de specifieke opdrachten verstrekt sinds 2021 aan de bovenstaande organisaties en personen ontvangen. In 2022 werd volgens onze gegevens, de opdracht aan de projectgroep verstrekt om variant 3. van het KplusV rapport/advies nader te onderzoeken en uit te werken. Toen ging daarna ook de projectleider(groep) hiermee aan de slag.

Vraag 23: Is het misschien handig om de visie van onze Onafhankelijke Adviesraad Maastricht ook naar deze casus te laten kijken? Wanneer kunnen we daar input van verwachten?

Vraag 24: De gezamenlijke directies van Annex, Podium24 en MTB hebben blijkbaar tijdens het proces ook een eigen zienswijze geformuleerd aangaande het transitie-project. De raad heeft deze visie niet ontvangen. Klopt dat? En zo ja, waarom heeft de raad die informatie niet ontvangen? Kunnen we die die visie a.u.b. ontvangen samen met de in de domeinvergadering toegezegde, overige ontbrekende stukken.

 

Maastricht, 11 maart 2025
Schriftelijke vragen - Status van de tender Landbouwbelang en de promotie van de voorgenomen herontwikkeling op de (deels) gemeentelijke stand van de TEFAF.

Geacht college, In de antwoorden (d.d. 14 januari 2025) op de schriftelijke vragen van de SP, Volt, de PvdD en M:OED (d.d. 9 december 2024) geeft uw college aan dat er ‘omstreeks maart 2025’ duidelijk zal zijn in hoeverre ‘de bijgestelde plannen voldoen aan de tendervoorwaarden’. Op 8 maart jl. publiceerde Pax Cultura, een platform voor en over de Maastrichtse subcultuur, een bericht waaruit duidelijk werd dat het consortium bestaande uit de RO groep, Vestio, en Machiels, dat de herontwikkeling van het gebied dat nu bekend staat als het Landbouwbelang voor haar rekent neemt, voornemens is om de huidige plannen in de etalage te zetten op de TEFAF. Nadere bestudering van de eigen website van het consortium leert ons dat dat inderdaad het geval is. Via de genoemde website worden bezoekers van de TEFAF, zoals ook u bekend doorgaans niet de minst gefortuneerden van deze wereld, uitgenodigd voor een ‘unieke kennismaking met dit iconische project’ waar zij bij de Maastricht Region Stand (# 811) (p.21) – die mede gefinancierd wordt door de gemeente Maastricht – een ‘exclusieve preview’ kunnen zien van de toekomst van de herontwikkeling van het Landbouwbelang. Frappanter is echter dat het consortium de geïnteresseerde bezoekers op de TEFAF ook de gelegenheid bieden ‘om als eerste een woning te reserveren’ zodat zij ‘verzekerd [zijn] van een plek op deze bijzondere locatie.’ Op de TEFAF kunnen de bezoekers ervan als eerste kennismaken met de ‘magie van het project’, en genieten van een ‘exclusieve preview op een prestigieuze locatie’. Bovendien worden zij daarbij 1-op-1 geassisteerd door een van de verbonden bekende Maastrichtse makelaardijen. Wat de SP betreft is het inmiddels wel duidelijk welke doelgroep met dit project wordt bediend. Makelaars en projectontwikkelaars richten zich primair op vermogende kopers die zich deze exclusieve A-locatie kunnen veroorloven. Gelegen naast jachthaven Het Bassin, een aanlegplaats voor luxe jachten en sloepen, wordt de herontwikkeling van het Landbouwbelang op de TEFAF gepositioneerd als de nieuwste prestigieuze woonomgeving aan de Riviera van Maastricht. Op de website van het project wordt de commerciële aantrekkingskracht benadrukt met termen als "moderne woningen" en "luxueuze penthouses". Dit terwijl, zoals Pax Cultura ook al naar voren bracht, concrete details over de toegezegde stevige culturele en maatschappelijke invulling van het project vooralsnog echter uitblijven. Een en ander heeft bij onze fractie de nodige vragen doen rijzen, welke in het navolgende nader uiteengezet en toegelicht zullen worden.

1. Mogen wij uit de geschetste gang van zaken concluderen dat de ‘onafhankelijke externe commissie die zowel de dialoogronden heeft begeleid als het oorspronkelijke plan heeft beoordeeld’ en die ook de ‘bijgestelde plannen zal beoordelen en advies uit zal brengen’ haar nieuwe beoordelingsrapportage inmiddels afgerond en uw college toegezonden heeft, en dat dat advies positief was? Zo ja, mag de gemeenteraad die adviezen en de nieuwe beoordelingsrapportage dan zo spoedig mogelijk ontvangen? Zo nee, op welke termijn verwacht uw college dat de commissie haar herbeoordeling afgerond heeft en wanneer mag de raad afschriften daarvan tegemoetzien? Naast een herbeoordeling door de externe onafhankelijke commissie, zouden ook de gemeente en Belvédère WOM opnieuw toetsen ‘of de bijgestelde plannen ook passen binnen de voorwaarden van de gesloten koopovereenkomst.’

2. Heeft die toetsing door de gemeente en Belvédère WOM aan de voorwaarden van de gesloten koopovereenkomst inmiddels plaatsgevonden? Zo ja, mag de gemeenteraad zo spoedig mogelijk een verslag van die toetsing ontvangen? Zo nee, op welke termijn verwacht uw college dat die toetsing afgerond is en wanneer kan de raad een verslag van die toetsing tegemoet zien?

3. Kan de gemeenteraad (eventueel onder geheimhouding) inzage krijgen in de betreffende koopovereenkomst? Zo ja, wanneer mogen wij het stuk op de griffie ter inzage tegemoetzien? Zo nee, waarom niet?

4. Hoe reflecteert uw college op het gegeven dat het betrokken consortium – nota bene op de gemeentelijke stand op de TEFAF – in de gelegenheid gesteld wordt om die nieuwe plannen alvast in de etalage te zetten en zelfs tot inschrijving voor de verkoop van woningen over te gaan, terwijl de bewoners en de gebruikers van het Landbouwbelang en de gemeenteraad nog niet geïnformeerd zijn over de eventuele uitkomsten van de herbeoordeling van de tender naar aanleiding van de inmiddels sterk afwijkende plannen, zoals wel door uw college is toegezegd in januari van dit jaar? En hoe verhoudt een en ander zich volgens uw college tot de actieve informatieplicht die ex artikel 169 Gemeentewet op uw college rust?

5. Hoe verhoudt het op deze wijze op de gemeentelijke stand aanprijzen van de dure woningen op de locatie van het huidige Landbouwbelang aan het (uiterst) gefortuneerde publiek van de TEFAF zich volgens uw college tot de gemeentelijke woon-, stads- en Omgevingsvisies, waarin uw college graag tot in den treure mooie – maar kennelijk lege – woorden bezigt over ‘gemengd wonen’, ‘magic mixes’, en ‘betaalbaar wonen’? Een rondgang over de feitelijke gang van zaken over de aanbesteding/tender van de herontwikkeling van het Landbouwbelang onder bij die aanbesteding betrokkenen, leert ons dat één van de laatste twee kandidaten zich op het werkelijk állerlaatste moment – namelijk nét voorafgaand aan de finale pitch – genoodzaakt zag om zich terug te trekken uit de tender. Dit terwijl uit het Plan van Uitgangspunten en de overige documentatie aangaande de herontwikkeling van het gebied vrij snel duidelijk wordt dat het alternatieve plan dat er lag, dat van een zeker gerenommeerd architectenbureau uit Rotterdam, veel beter paste bij de oorspronkelijke ideeën en wensen voor het Landbouwbelang. Tot die conclusie komen inmiddels overigens ook anderen in de stad. Sterker nog, in die documentatie worden zelfs twee bouwwerken (te weten de projecten SAWA en Feniks I, beide op p. 21 van het document ‘Stedenbouwkundige randvoorwaarden’ van Ziegler|Brandenhorst) van datzelfde architectenbureau in Rotterdam gebruikt om de visies en eisen voor de herontwikkeling van het Landbouwbelang in Maastricht vorm te geven.

6. Mag de gemeenteraad van uw college een feitenrelaas ontvangen omtrent de gang van zaken in de laatste weken in opmaat naar de definitieve uitslag van de tender? Welke partijen waren er op welk moment nog in de running, wanneer trok de laatste partij zich definitief terug en om welke redenen? Wanneer en op welke wijze werd uw college op de gesteld van deze last minute terugtrekking en door wie? Was de RO groep door die terugtrekkingen inderdaad de enige partij die overbleef? Zo ja, hoe reflecteert u op het verloop en de uitkomst van deze tenderprocedure?

7. Is uw college de mening toegedaan dat een en ander betekent dat de RO-groep en haar financiers de tender niet per se ‘gewonnen’ hebben omdat zij het beste plan hadden, maar omdat zij simpelweg als enige partij overbleven naar het afvallen van de andere partijen? Zo nee, waarom niet?

8. Is uw college met onze fractie de mening toegedaan dat een tender waarbij alle overige kandidaten zich om welke reden dan ook gedwongen zien om zich terug te trekken, waarna er slechts één kandidaat overblijft, dient te gelden als een mislukte tender en dus per definitie opnieuw moet? Zo ja, wanneer mogen wij een nieuwe tender tegemoet zien? Zo nee, waarom niet, en op welke (juridische) bronnen baseert u die opvatting?

Hoogachtend, Stephanie Blom Jules Ortjens Ria Strik Martin van Rooij Raadslid SP Raadslid Volt Raadslid PvdD Raadslid M:OED

Maastricht, 7 maart 2025 
Schriftelijke vragen SP over de (juridische) perikelen rondom Palace/Wyck.

Geacht college, Op 6 maart jl. verschenen er maar liefst twee artikelen op De Nieuwe Ster over de hernieuwde (juridische) perikelen rondom het project Palace/Wyck. Het ene artikel verhaalt over het kort geding dat door Hilversumse projectontwikkelaar 2Rocks werd aangespannen tegen de bekende Maastrichtse architect Wiel Arets. Volgens de ontwikkelaar bestaan er namelijk afspraken tussen de heer Arets en 2Rocks ten aanzien van het beheer en het verzekeren van de voormalige bioscoop in Wyck. Ook tracht de projectontwikkelaar de heer Arets voor 15 maart a.s. te dwingen tot de aankoop van in totaal 70 procent van de aandelen in de bv die het gebied zal herontwikkelen. Dit kennelijk tegen de stellige wens van de architect zelf, die stelt dat hij architect is en helemaal niet wil investeren, en die bij monde van zijn advocaat schetst dat hij er ‘te ver ingezogen’ is door 2Rocks. Uit het tweede artikel dat gisteren verscheen, wordt duidelijk dat gebleken is dat de gebouwen die onderdeel zijn van het project ‘Palace/Wyck’ niet verzekerd zijn en dat onduidelijk is wie verantwoordelijk is voor het beheer ervan. Het eerdergenoemde 2Rocks is van mening dat Arets verantwoordelijk is voor het beheer en het verzekeren van de leegstaande gebouwen, terwijl Arets de bal bij 2Rocks als eigenaar van het complex legt.

Ook leiden deze onduidelijkheid en onzekerheid inmiddels tot een gevaarlijke situatie bij het aangrenzende pand van schoenenzaak Monfrance in Wyck, nu blijkt dat de kleine binnenplaats waarop de nooduitgang van de winkel uitkomt dichtgetimmerd is met een grote houten plaat. Een en ander kan bij calamiteiten leiden tot levensgevaarlijke situaties. Kortom, er is opnieuw grote onrust ontstaan ten aanzien van de herontwikkeling van Palace/Wyck. En dit kort nadat de heer Arets en 2Rocks eerder dit jaar ook al niet tot een succesvolle ontwikkeling van het hotel Croix de Bourgogne kwamen, en de gemeente Valkenburg aan de Geul daarom eenzijdig besloot de stekker uit het project trekken door het inroepen van de ontbindende voorwaarden uit de ontwikkelingsovereenkomst. Het lijkt er inmiddels sterk op dat de liefde tussen de vermaarde architect en de vastgoedontwikkelaar zodanig bekoeld is, dat sterker dan ooit de vraag rijst of zij nog wel bereid én in staat zijn om gezamenlijk het voorgenomen project Palace/Wyck tot een succes te maken. Een en ander heeft bij onze fracties tot de volgende vragen geleid.

1. Is uw college door (een van) beide partijen op de hoogte gebracht van de kennelijk tussen hen bestaande verschillen van inzicht over de rechten en plichten jegens elkaar inzake de herontwikkeling van Palace/Wyck? Zo ja, wanneer, op welke wijze, en wat was de inhoud van die communicatie? Zo nee, heeft u zichzelf daar dan onlangs van op de hoogte gesteld door navraag te doen bij (een van beide) partijen? Zo ja, wanneer, op welke wijze, en wat was de inhoud van die communicatie? Zo nee, waarom niet?

2. Was uw college voorafgaand aan het kort geding van donderdag 6 maart jl. op de hoogte van het feit dat de (vervallen) bouwwerken die onderdeel uitmaken van het complex Palace/Wyck kennelijk onverzekerd waren, en dat onenigheid en onduidelijkheid bestaat over wie van de betrokken partijen verantwoordelijk is voor het verzekeren en het beheer van die gebouwen? Zo ja, sinds wanneer en waarom heeft u de raad en de omwonenden daar niet eerder over geïnformeerd, en hoe verhoudt die omissie zich volgens uw college zich tot de actieve informatieplicht ex artikel 169 Gemeentewet? Zo nee, vindt u niet dat het tot uw zorgplichten als eigenaar van een deel van het complex behoort om van dit soort zaken op de hoogte te zijn? Zo ja, waarom heeft uw college daar niet eerder invulling aan gegeven? Zo nee, waarom niet?

3. Is uw college de mening toegedaan dat de grote onenigheid die kennelijk tussen de heer Arets en 2Rocks bestaat ten aanzien van zowel het mislukte project in Valkenburg aan de Geul, als ten aanzien van de herontwikkeling van Palace/Wyck, ertoe zou moeten leiden dat de herontwikkeling van Palace/Wyck zoals voorgenomen op losse schroeven komt te staan? Zo ja, welke gevolgen dienen er volgens uw college dan aan die constatering verbonden moeten worden? Zo nee, waarom niet en hoe ziet uw college een succesvolle afronding project met de betrokken partijen dan voor zich? Zoals reeds eerder uitvoerig naar voren gebracht, is de SP groot voorstander van het eenzijdig inroepen van de ontbindende voorwaarden uit de (anterieure) koopovereenkomst tussen de gemeente Maastricht en 2Rocks (zie de artikelen 19.3 en 19.4 uit die overeenkomst) en de overeenkomst kosteloos te ontbinden. Artikel 19.5 van die overeenkomst luidt immers: “19.5 Bij ontbinding van deze overeenkomst zijn partijen niet langer aan elkaar gebonden en heeft geen van de partijen recht op vergoeding van enigerlei schaden en kosten, onverminderd het bepaalde in artikel 17.2 en de door de ontwikkeling betaalde bedragen zoals bedoeld in artikel 5.2 van deze overeenkomst, welke niet gerestitueerd worden.”

4. Is uw college bereid om, in het licht van deze nieuwe ontwikkelingen, kosteloos de ontbindende voorwaarden uit de overeenkomst met 2Rocks in te roepen, nu gebleken is dat deze vastgoedontwikkelaar uit Hilversum en de heer Arets er zowel in Valkenburg als in Maastricht niet in slagen om een en ander tot een behoorlijk einde te brengen? Zo ja, wanneer mogen wij dat inroepen tegemoetzien? Zo nee, waarom niet?

5. Is uw college, in het licht van deze nieuwe ontwikkelingen, nog steeds voornemens om de gemeenteraad in mei 2025 te vragen om de eigenaren en bewoners van de Bourgognestraat te doen onteigenen uit het geboortehuis van een van hen, zodat de voorgenomen ontwikkeling van een viersterrenplushotel en ze stadsvilla’s op deze plek doorgang kan vinden? Zo ja, hoe krijgt u het aan deze bewoners, aan onze stad en aan de gemeenteraad nog uitgelegd dat dit alles zo’n ontzettend goed plan is, dat uitgevoerd wordt door zulke coöperatieve en betrouwbare partners, dat dat een onteigening rechtvaardigt? Zo nee, wanneer mag de gemeenteraad het intrekken van het raadsvoorstel tegemoetzien?

Hoogachtend, Stephanie Blom Jo Smeets Kitty Nuyts Jules Vaessen SP Raadslid MvN LPM PvdD

Maastricht, 26 februari 2025
Schriftelijke vragen SP over het advies van de Taskforce Robuust Zorglandschap Limburg.

Geacht college, Op 26 februari jl. verscheen dan eindelijk het langverwachte advies van de Taskforce Robuust Zorglandschap Limburg. Zoals uw college zelf al stelt in de begeleidende brief, bevat het rapport ‘minder vernieuwende inzichten dan verwacht’, wat het lezen ervan voor onze fractie een nogal teleurstellende ervaring maakte. Zoals u weet, kraakt de jeugdzorg in Zuid-Limburg al enige tijd in haar voegen. De wachttijden lopen steeds verder op, de aangeboden zorg verschraalt, cruciale zorgaanbieders staan op omvallen en gemeenten voelen zich machteloos terwijl ze keer op keer financieel en inhoudelijk moeten bijspringen. Ook het rapport van de Taskforce Robuust Zorglandschap Limburg laat geen ruimte voor misverstanden: het systeem faalt. Maar laten we ook eerlijk zijn en concluderen dat deze crisis niet uit de lucht is komen vallen, maar is gecreëerd.

De gemeente Maastricht en de andere ZuidLimburgse gemeenten hebben er zelf actief aan bijgedragen met jarenlang falend beleid en gebrek aan regie. Het excuus dat gemeenten ‘met de rug tegen de muur’ staan door de Jeugdwet houdt wat de SP betreft geen stand. Natuurlijk is het stelsel problematisch, maar Maastricht had binnen de kaders van dat stelsel wél keuzemogelijkheden. Gemeenten konden strenger toezien op de financiële gezondheid van aanbieders, bijvoorbeeld door een solvabiliteits- en een liquiditeitseis op te nemen in de aanbestedingsvoorwaarden zoals voorgesteld werd door de SP, en bovenregionaal samenwerken om grip te houden. Dat alles is niet gebeurd. De gemeente is wat onze fractie betreft dan ook niet machteloos, maar heeft simpelweg te weinig gestuurd, te weinig gecoördineerd en te weinig verantwoordelijkheid genomen. Een ander groot probleem dat de Taskforce constateert is de grote fragmentatie binnen Limburg. Iedere regio regelt zijn eigen beleid, zonder een duidelijke strategie en afstemming met andere gemeenten. Zorgaanbieders moesten zich daardoor vaak door een wirwar van bureaucratie heen worstelen, terwijl er geen duidelijke coördinatie was tussen gemeenten (p. 11).

De Taskforce stelt in haar rapport dan ook terecht dat deze versnippering niet alleen inefficiënt was, maar ook de kosten opdrijft en zorgverleners frustreert. Hierdoor zijn jongeren met complexe zorgbehoeften vaak de dupe: zij vallen tussen wal en schip terwijl beleidsmakers en gemeenten langs elkaar heen werken. Daarnaast heeft het gebrek aan samenwerking ervoor gezorgd dat cruciale signalen over financiële en organisatorische problemen bij zorgaanbieders te laat werden opgepikt. Gemeenten leunden te veel op kortetermijnoplossingen in plaats van structureel beleid te voeren. De grote vraag is wat de SP betreft dan ook: wat heeft Maastricht als penvoerende gemeente dan gedaan om deze chaos te voorkomen? Het antwoord is volgens onze fractie pijnlijk simpel: veel te weinig, veel te laat. Terwijl beleidsmakers maar blijven overleggen en rapporten opstellen, blijven de gevolgen voor kwetsbare kinderen en gezinnen ongekend groot. Wachtlijsten betekenen niet alleen bureaucratische vertragingen; ze betekenen maanden en in sommige gevallen zelfs jaren zonder de juiste hulp, waardoor er achterstanden ontstaan die nauwelijks meer in te lopen zijn. Voor jongeren met psychische problemen kan dat het verschil betekenen tussen stabiliteit of blijvende schade. Ouders die aankloppen bij de gemeente worden nog steeds van het kastje naar de muur gestuurd, terwijl instanties elkaar de schuld geven. Dit is daarom niet vooral de bestuurlijke uitdaging die uw college meent te zien, maar een diep menselijke crisis die onze onmiddellijke en onverdeelde aandacht verdient.

Een en ander heeft bij de SP tot de volgende vragen voor uw college geleid: 1. Herkent uw college zich in het structurele probleem dat gemeenten wel verantwoordelijk zijn, maar onvoldoende bevoegdheden hebben om in te grijpen bij autonome zorgaanbieders? Zo ja, wat gaat het college doen om dit in de toekomst anders vorm te geven? Zo nee, waarom niet?

2. Is het college bereid om in VNG-verband of op zijn minst met alle Limburgse gemeenten richting het Rijk te pleiten voor aanpassing van de Jeugdwet zodat het door de Taskforce gesignaleerde dilemma wordt opgelost? Zo ja, hoe gaat dat offensief eruitzien? Zo nee, waarom niet?

3. Hoe is uw college van plan om zorgaanbieders harder aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor continuïteit en financiële soliditeit? Worden bij nieuwe contracten in het vervolg extra eisen gesteld, zoals verplichte transparantie over de financiële situatie, een vroegtijdige meldplicht bij risico’s, en/of worden er solvabiliteits- en liquiditeitseisen opgenomen, zodat de gemeente Maastricht haar regierol beter kan vervullen?

4. Mocht er bij toekomstige aanbestedingen en gunningen inderdaad een solvabiliteits- en liquiditeitseis worden opgenomen, waarom heeft uw college zich in eerdere debatten op de stelling beroepen dat dit wettelijk gezien niet mogelijk zou zijn?

5. Welke verbeteringen in monitoring worden door uw college voorzien om te voorkomen dat problemen bij jeugdaanbieders ook in de toekomst pas zo laat aan het licht komen? Wordt er bijvoorbeeld intensiever samengewerkt met toezichthouders, accountants en externe financiers om vroegsignalering van financiële nood bij aanbieders te borgen? Hoe zorgt het college dat de informatie-uitwisseling met alle betrokken partijen vanaf nu volledig en tijdig plaatsvindt, volgens het advies een van de “lessons learned” uit de recente casussen waarin gemeenten essentiële info misten?

6. Als er opnieuw een grote jeugdzorgaanbieder in de problemen komt, hoe groot acht uw college het financiële risico voor de gemeente dan? In tegenstelling tot die van de grote aanbieders die volgens uw college ‘too big to fail’ zijn geworden, is de financiële huishouding van juist de kleinere zorgaanbieders vaak wél goed op orde. Echter, deze kleine aanbieders zijn bij de vormgeving van de laatste aanbestedingsronde bewust buiten de aanbesteding gehouden ten faveure van de grote systeemaanbieders, omdat uw college van het grote aantal contracten af wilde.

7. Hebben de ervaringen die uw college de afgelopen jaren heeft opgedaan met de nieuwe aanbesteding van de Jeugdzorg, en de inhoud van het advies van de Taskforce, bij uw college geleid tot nieuwe inzichten en/of opvattingen over de rol en positie van kleine zorgaanbieders bij toekomstige aanbestedingen? Zo ja, wat zijn die nieuwe inzichten en opvattingen dan? Zo nee, waarom niet? De 16 Zuid-Limburgse gemeenten gaven eerder aan niet mee te willen betalen aan de kosten voor de Mutsaersstichting. Dit mede omdat het zwaartepunt van de zorg in Midden- en Noord-Limburg ligt, Zuid-Limburg hogere tarieven betaalde en wij als Zuid-Limburgse gemeenten Xonar al overeind hebben gehouden. Dit standpunt is, voor zover onze fractie weet, níét door de 16 Zuid-Limburgse gemeenten aangepast. Nu vernemen wij echter uit een artikel over dit onderwerp in De Limburger dat 'op dit verzoek moet worden gereflecteerd' door Maastricht en de overige deelnemende gemeenten.

8. Wat is nu het standpunt van de gemeente Maastricht en het standpunt van alle overige ZuidLimburgse gemeenten over het wel of niet meebetalen aan het herstelplan voor de Mutsaersstichting?

9. Is er inmiddels – al dan niet bovenregionaal – een noodfonds of vangnet ingericht om de continuïteit van de zorg te waarborgen zonder dat telkens ad hoc steunbesluiten vanuit de gemeenten moeten komen? Zo ja, hoe wordt dit fonds gefinancierd en beheerd? Zo nee, waarom niet?

10. Is het college bereid om, in lijn met de aanbeveling van de Taskforce samen met de andere Limburgse gemeenten gelijke tarieven en uniforme contractvoorwaarden in te voeren? Zo ja, wat betekent dit financieel voor onze gemeente? En hoe voorkomt het college dat gemeenten onderling toch weer afwijkende voorwaarden gaan hanteren, wat eerder tot hoge lasten en verdeeldheid leidde?

11. Hoe gaat uw college invulling geven aan de dringend noodzakelijke bovenregionale samenwerking tussen alle Limburgse jeugdzorgregio’s? Is er al een gezamenlijk “governancemodel” of crisiscoördinatieplatform opgezet om bij toekomstige crises eenduidig op te treden? Zo nee, op welke termijn komt dit tot stand en wie neemt hierin het initiatief?

12. De Taskforce constateert dat een gebrek aan onderling vertrouwen tussen regio’s en een gebrek aan afstemming de aanpak van de crisis heeft bemoeilijkt. Wat gaat het uw college doen om dat vertrouwen te herstellen en de samenwerking met de andere (jeugd)regio’s te verbeteren?

13. Is er reeds een actieplan met duidelijke tijdslijnen opgesteld naar aanleiding van de inhoud van het advies van de Taskforce? Zo ja, mag de gemeenteraad deze ontvangen? Zo nee, wanneer kan de gemeenteraad deze stukken tegemoetzien?

14. Hoe gaat uw college de effectiviteit van de implementatie van de door de Taskforce voorgestelde maatregelen monitoren, en kan de raad daar periodiek van op de hoogte gehouden worden? 15. Wat heeft het opstellen van het advies door de Taskforce, en het deelnemen aan de Taskforce, de betrokken gemeenten in totaal gekost? Wij ontvangen graag een kostenoverzicht uitgesplitst naar personeelskosten, reiskosten, etc.

Hoogachtend, Stephanie Blom & Jack van Gelooven 

Maastricht, 20 februari 2025
Schriftelijke vragen - Digitale toegankelijkheid

Geacht college, Overheidsorganisaties moeten volgens de wet voor digitale toegankelijkheid verplicht hun websites en apps toegankelijk maken voor mensen met een beperking en voldoen aan de normen EN 301 549 en WCAG. Om te voldoen aan deze wettelijke plicht moet onderzocht worden of een website of app toegankelijk is op basis van 50 eisen gebaseerd op 4 principes: waarneembaarheid, bedienbaarheid, begrijpelijkheid en robuustheid. De website digitoegankelijk.nl heeft dashboards waar men kan zien of een website of app wel of niet toegankelijk is volgens deze standaard. Volgens het dashboard van digitoegankelijk.nl voldoen maar 2 van de 51 websites en apps waar de gemeente Maastricht verantwoordelijk is voor de digitale toegankelijkheid aan de wettelijke verplichting. Het grootste deel van de websites en apps voldoen niet, of hebben geen verklaring. Het percentage aan websites en apps die voldoen aan deze verplichting in Maastricht ligt ver onder het nationale gemiddelde, kijkende naar alle gemeenten. Wij hebben daarom de volgende vragen.

1. Waarom voldoen maar 2 van de 51 websites en apps aan deze wettelijke verplichting?

2. Welke acties worden ondernomen om de digitale toegankelijkheid te verbeteren zodat meer websites voldoen aan deze wettelijke verplichting? We zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet.

Met vriendelijke groet, Anne Lucas Addie Redmeijer Ryan Wilmes/Jules Ortjens GroenLinks PvdA Volt Youri van Mullem/Jack van Gelooven Ria Strik Gabrielle Heine Miriam Elfassih SP Partij voor de Dieren CDA D66

Maastricht, 19 februari 2025
Betreft: Schriftelijke vragen SP en M:OED over de beoogde verkoop van vijf sociale huurcomplexen door woningcorporaties Woonpunt en Servatius.

Geacht college, Op 18 februari jl. werd de gemeenteraad middels een raadsinformatiebrief (RIB) door uw college geïnformeerd over het voornemen van woningcorporaties Woonpunt en Servatius om vijf sociale huurcomplexen, de meesten gelegen op prachtige locaties in en nabij het centrum, te verkopen. Volgens de RIB hebben de woningcorporaties een positief besluit nodig van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, die voorafgegaan dient te worden door een zienswijze van het college van burgemeesters en wethouders over de voorgenomen verkoop. Uw college heeft kennelijk een positieve zienswijze afgegeven over de voorgenomen verkoop. Ter onderbouwing daarvan brengt uw college naar voren dat de verkoop van sociale huurwoningen weliswaar ‘niet iets is dat de gemeente stimuleert’, maar dat uw college de mening toegedaan is dat ‘de verkoop van sociale huurwoningen in sommige gevallen wel een noodzakelijk onderdeel van de activiteiten van corporaties [is].’

Bovendien zouden er kostbare en complexe ingrepen nodig zijn om de betreffende panden te verduurzamen en/of te renoveren, en wegen de kosten van deze ingrepen volgens uw college niet op ‘tegen de bijdrage die de panden leveren aan het vervullen van de kerntaak van de woningcorporaties: het aanbieden van kwalitatief passende woningen voor sociale doelgroepen.’ De SP en M:OED zijn met uw college van mening dat de verkoop van sociale huurwoningen, in de volksmond ook wel ‘uitponden’ genoemd, door woningcorporaties niet iets zou moeten zijn dat de gemeente stimuleert.

Het uitponden van sociale huurwoningen, met name die momenteel verhuurd worden aan studenten, is immers een ontwikkeling die bijdraagt aan de verkleining van de sociale huursector en een verdere commercialisering van de woningmarkt. Wanneer dergelijke woningen worden opgekocht door particuliere investeerders en vervolgens – in dit geval na zeven jaar – tegen aanzienlijk hogere huurprijzen opnieuw worden verhuurd, leidt dit tot een afname van betaalbare huisvestingsmogelijkheden voor studenten en andere inkomensgroepen die in aanmerking komen voor de sociale huur. Daarnaast resulteert dit proces veelal in een verslechtering van de woonkwaliteit en een afname van de sociale cohesie in wijken, aangezien commerciële verhuurders doorgaans minder investeren in onderhoud en leefbaarheid dan woningcorporaties. Bovendien draagt het uitponden bij aan de structurele schaarste op de sociale huurmarkt, wat de wachtlijsten verlengt en de toegankelijkheid van betaalbare huisvesting verder onder druk zet. Het is daarom volgens de SP van het allergrootste belang dat gemeenten en woningcorporaties beleid ontwikkelen en handhaven dat dergelijke ontwikkelingen beperkt, om de beschikbaarheid en betaalbaarheid van sociale huurwoningen te waarborgen. Ook al gebruiken de woningcorporaties de opbrengt van de verkoop voor bouw of renovatie van andere sociale woningbouw, dan nog betekent dit dat mooie panden op aantrekkelijke locaties worden verkocht aan private marktspelers en mensen die afhankelijk zijn van de sociale woningbouw dus meer en meer aangewezen zijn op eenvoudige woningen op minder aantrekkelijke locaties in de stad. Terwijl iedereen het erover eens is dat het voor de sociale cohesie van de stad belangrijke is dat verschillende groepen door elkaar wonen en dat ook het centrum bewoond worden door alle groepen uit de samenleving, draagt juist het uitponden van sociale huurwoningen bij aan een verdere segregatie in Maastricht.

De voorgenomen verkoop van de vijf complexen door de genoemde woningcorporaties, hoeft echter niet alleen tot droefenis bij uw college en onze fracties te leiden, maar kan wat onze fracties betreft ook gezien worden als een uitgelezen kans om dan eindelijk eens te gaan experimenteren met de oprichting van een studentenwoningcorporatie, of het liefst zelfs een gemeentelijk woonbedrijf. Er is wat onze partij betreft namelijk echt maar één oplossing voor de aanhoudende crisis op wat de ‘woningmarkt’ is gaan heten: breng de volkshuisvesting terug en ga als overheden in eigen beheer en met eigen geld snel, goed en écht betaalbaar bouwen zonder winstoogmerk. In het licht van het voorgaande, heeft onze fractie de volgende vragen voor het college.

1. Zijn er ook in de huidige prestatieafspraken tussen de woningcorporaties en de gemeente Maastricht, of in andere overeenkomsten, afspraken en/of richtlijnen opgenomen ten aanzien van de verkoop van sociale huurwoningen? Zo ja, waar kunnen wij die terugvinden? Zo nee, waarom (nog) niet?

2. Bestaan er formele afspraken of gentlemen’s agreements tussen de woningcorporaties en de gemeente Maastricht ten aanzien van een mogelijke preferente status van de gemeente bij de verkoop van sociale huurwoningen of woningcomplexen? Zo ja, hoe luidt de inhoud van die afspraken? Zo nee, waarom niet?

3. Kan uw college de raad en overzicht verschaffen van de vraagprijzen die Servatius en Woonpunt (zullen) stellen voor de in de RIB genoemde sociale woningcomplexen? Zijn die lager dan de marktprijs die normaal voor dit soort complexen betaald wordt door de overeengekomen eis dat de huidige (en eventueel toekomstige) huurders er nog maximaal zeven jaar in mogen blijven wonen?

4. Huren alle huidige bewoners van de betreffende woningcomplexen voor studenten via een campuscontract? Mochten zij op basis van een ‘regulier’ huurcontract huren, wat zijn dan voor hen de gevolgen als zij over zeven jaar niet wensen te vertrekken?

5. Is uw college, ongeacht het antwoord op de voorgaande vragen, bereid en in staat om met Woonpunt en Servatius in onderhandeling te treden over de mogelijke aankoop van (een deel) van de genoemde woningcomplexen door de gemeente? Zo nee, waarom niet?

Zoals reeds in eerdere schriftelijke vragen uiteengezet, werd de NV Wonen boven Winkels Maastricht (WbWM) in 1992 opgericht (p. 171) om leegstaande verdiepingen in de Maastrichtse binnenstad om te vormen tot woningen, vooral voor studenten. Dit initiatief had als doel om verwaarlozing van panden tegen te gaan, het stadscentrum levendiger te maken en studenten betaalbare en huisvesting in de stad te bieden. De gemeente Maastricht, de Universiteit Maastricht, en woningcorporatie Woonpunt zijn elk voor een derde aandeelhouder, terwijl de gemeente de volledige financiering verzorgt. Wat onze partij betreft een ontzettend mooi voorbeeld van hoe de gemeente een actieve en sturende (eigenaars)rol kan nemen op het gebied van de volkshuisvesting. Kortom, uw college beschikt eigenlijk al over semi-gemeentelijk woonbedrijf, dat in casu als vehikel zou kunnen dienen om de portefeuille kwalitatief hoogstaande en goed gelegen studentenwoningen verder uit te breiden middels de aanschaf van (een deel) van de vijf woningcomplexen waar deze vragen betrekking op hebben. Dat deze niet ‘boven winkels’ gelegen zijn, hoeft daarbij natuurlijk geen enkele belemmering te vormen.

6. Is uw college bereid om te onderzoeken of het mogelijk is om (een deel) van de in de RIB genoemde woningcomplexen, met name die in of tegen het centrum gelegen, aan te kopen via de NV Wonen boven Winkels Maastricht? Zo ja, wanneer mag de raad de uitkomsten van dat onderzoek tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?

Hoogachtend, Stephanie Blom Martin van Rooij Raadslid SP Raadslid M:OED

Maastricht, 18 februari 2025
Betreft: Schriftelijke vragen Volt, SP en PvdD - Systematiek en werkwijze SZMH

Geacht college, Wij willen uw aandacht vestigen op een structureel probleem dat inwoners van Maastricht met een bijstandsuitkering treft, namelijk het uitbetaalmoment van de bijstandsuitkering en de daaruit voortvloeiende financiële moeilijkheden. In veel gemeenten, waaronder Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Groningen, wordt de bijstandsuitkering uitgekeerd rond de 28e van de maand waarop de uitkering betrekking heeft. In tegenstelling hiermee hanteren gemeenten in het zuiden van Nederland, waaronder Maastricht, een later uitbetalingsmoment, namelijk rond de 20e van de volgende maand.

Dit zorgt ervoor dat mensen die afhankelijk zijn van bijstand te maken krijgen met een scheve verdeling tussen inkomen en uitgaven. Dit vergroot het risico op betaalachterstanden bij huur en zorgverzekeringen, met alle nadelige gevolgen van dien. De gemeente Kerkrade vormt hierop een uitzondering, door de bijstandsuitkering uit te keren ook rond de 28e van de maand waarop deze betrekking heeft, net zoals de eerder genoemde gemeenten. Dit model biedt inwoners een stabieler financieel perspectief en voorkomt betalingsachterstanden. Wij vragen ons dan ook af waarom de gemeente Maastricht niet dezelfde systematiek hanteert. Dit brengt ons tot de volgende vragen.

1. Kan er duidelijkheid verschaft worden over de reden waarom de gemeente Maastricht deze systematiek gebruikt?

2. Heeft SZMH in beeld welke negatieve gevolgen deze systematiek heeft op inwoners die afhankelijk zijn van de bijstandsuiterking?

3. Is het college bereid te onderzoeken of een andere uitbetalingssystematiek mogelijk is? Zo nee, waarom niet? 2 Ook is ons ter oren gekomen dat inwoners met een bijstandsuiterking hun inkomensgegevens moeten indienen op papier en dat dit niet digitaal zou kunnen of mogen. SZMH heeft een eigen digitaal platform dat hier geschikt voor zou zijn. Zie de screenshot van het betreffende portaal.

4. Het lijkt erop dat het portaal van SZMH alleen bedoeld is voor het doorgeven van grote wijzigingen in de persoonlijk situatie. Echter, wanneer een inwoner verplicht is om maandelijks door te geven wat er verdiend is, lijkt dit niet digitaal mogelijk. Is het bij SZMH niet mogelijk om inkomensgegevens digitaal in te dienen?

5. SZMH heeft een eigen digitaal platform. Waarom kunnen inkomensgegevens niet digitaal ingediend worden op dit digitaal platform?

6. Kan het zijn dat er vanuit medewerkers van SZMH aangedrongen wordt op het indienen van inkomensgegevens op papier? Zo ja, waarom gebeurt dit dan? Als laatste krijgen we nog steeds vanuit inwoners mee dat de wijze van bejegening binnen SZMH geen vertrouwen uitstraalt. Er heerst nog steeds een sfeer van wantrouwen.

7. Is het college bereid te onderzoeken waarom dit zo ervaren wordt? Zo nee, waarom niet?

8. Is het college bereid te onderzoeken hoe dit te verbeteren? Zo nee, waarom niet?

Bij voorbaat dank. Ryan Wilmes Jack van Gelooven Ria Strik Jules Ortjens Volt SP Partij voor de Dieren

 

Maastricht, 18 februari 2025
Schriftelijke vragen SP over de financiële problemen bij kleine jeugdzorgaanbieders.

Geacht college,

Het afgelopen jaar hebben we ons intensief bezig gehouden met de grote problemen binnen de zorg, en dan met name in de jeugdzorg. Deze sector staat nog steeds onder grote druk, en ook de vooruitzichten voor 2025 zijn somber. Zowel het Rijk als de gemeenten lijken er maar niet in te slagen om de situatie structureel en op systeemniveau te verbeteren. En wat de SP betreft heeft het inkoop- en aanbestedingsbeleid van de gemeente Maastricht ten aanzien van de jeugdzorg meer kwaads dan goeds opgeleverd. Een blik op de dossiers rondom Xonar, Mutsaerts en andere relevante casussen in Maastricht laat duidelijk zien dat de situatie zorgwekkend is. Bezuinigingen, een groeiende zorgvraag, en een gebrek aan toezicht en intern overzicht dwingen tot ingrijpende maatregelen. Harde keuzes lijken onvermijdelijk om verdere verslechtering te voorkomen.

Opvallend daarbij is dat grote organisaties, die als ‘too big to fail’ worden beschouwd, ruime steun ontvangen om hun bedrijfsvoering te herstellen en te verbeteren. Adviesbureaus, accountants en interim-managers zijn massaal ingeschakeld, projectgroepen en taskforces zijn opgericht, en omvangrijke verbeterplannen zijn opgesteld. Vastgoed wordt verkocht, diensten worden afgestoten, en personeel wordt ontslagen of herplaatst. Ook richting het Rijk wordt druk uitgeoefend, en hoewel de VNG zich inspant, blijft voortgang op de hervormingsagenda jeugdzorg uit.

Door deze verblindende focus op de grote, noodlijdende organisaties – die vaak ook als penvoerder optreden voor talloze onderaannemers – worden de kleinere zorgaanbieders over het hoofd gezien. Echter, ook zij worden, in het kielzog van organisaties als Xonar, hard geraakt. Veel kleine aanbieders staan op de rand van faillissement, terwijl het zogenoemde ‘Ravijnjaar’ nog moet komen. Ziekteverzuim, personeelstekorten, betalingsachterstanden en conflicten met verzekeraars zorgen ervoor dat kleinschalige zorgaanbieders, zowel landelijk als in Limburg, steeds vaker omvallen. Er wordt gevreesd voor een golf van faillissementen als er niet tijdig wordt ingegrepen.

Opvallend is dat kleine aanbieders nauwelijks op steun van de (lokale) overheid kunnen rekenen. Zij beschikken niet over de middelen om professionele hulp in te schakelen en ontvangen geen miljoenen om te overleven. Alleen de financieel aantrekkelijke onderdelen (‘de krenten uit de pap’) trekken eventueel overnamekandidaten aan. De rest dreigt te verdwijnen, met ingrijpende gevolgen voor de meest kwetsbare partij in dit geheel: de cliënten en hun gezinnen.

Naar aanleiding van deze zorgelijke ontwikkelingen heeft de SP de volgende vragen voor uw college:

  1. Heeft het college een actueel overzicht van de financiële situatie van kleinere zorgaanbieders in onze regio? Zo ja, mag de gemeenteraad dit ontvangen? Zo nee, waarom niet en is uw college bereid om dit alsnog op te (doen) stellen?
  2. Is bekend of er momenteel (kleine) organisaties zijn die op omvallen staan? Zo ja, mag de gemeenteraad dit ontvangen? Zo nee, waarom niet en is uw college bereid om alsnog een overzicht op te (doen) stellen?
  3. Welke maatregelen neemt de gemeente wanneer kleine aanbieders in financiële problemen dreigen te komen?
  4. Bestaat er een noodfonds om de continuïteit van zorg bij acute problemen te waarborgen?
  5. Welke rol, plichten en verantwoordelijkheden hebben de zogenoemde penvoerders (hoofdaannemers) in de zorgketen ten opzichte van kleinere onderaannemers?
  6. Heeft het college inzicht in de impact van grote reorganisaties bij grotere zorgorganisaties op de kleinere aanbieders in de keten? Is er sprake van een domino-effect?
  7. Zijn penvoerders verplicht om kleinere onderaannemers te ondersteunen wanneer deze in financiële problemen komen?
  8. Hoe is de gemeente voornemens bij te sturen om haar wettelijke zorgtaken te waarborgen, mocht een groeiend aantal kleine aanbieders hun activiteiten moeten inkrimpen of beëindigen?
  9. Zet de gemeente zich actief in om faillissementen onder kleine aanbieders tijdig te signaleren en waar mogelijk te voorkomen?

Hoogachtend,

Jack van Gelooven
SP

 

Maastricht, 17 februari 2025
Schriftelijke vragen SP Huishoudelijke hulp in Maastricht

Geacht college,

Bijna een jaar geleden werd de raad door het college middels een raadsinformatiebrief geïnformeerd over het instellen van een nieuwe richtlijn indicatiestelling hulp bij het huishouden per 15 april 2024. In de raadsinformatiebrief kwam duidelijk naar voren dat dit ging om het herstellen van een formeel gebrek – de toenmalige normtijden waren volgens het college niet gebaseerd op deugdelijk onderzoek, en voldeden dus niet aan de wettelijke verplichting. Uit deze RIB kwam ook naar voren dat de invoering van deze nieuwe normtijden “op zichzelf geen gevolgen heeft voor de gemiddelde omvang van de dienstverlening per cliënt”.

Als reactie op de invoering van deze nieuwe normtijden stelde de SP een aantal schriftelijke vragen op 4 april 2024, die door de gemeente werden beantwoord op 22 april 2024. Als SP maakte wij ons zorgen. Was dit nieuwe systeem bedoeld om “de duimschroeven aan te draaien ten aanzien van het aanvragen en ontvangen van wettelijke hulp”. De ondertoon van het nieuwe normenkader, zoals ook duidelijk werd tijdens de domeinvergadering Sociaal van 6 februari 2024, was dat voortaan alleen maar mensen die het “echt nodig hebben” toegang zouden krijgen tot huishoudelijke hulp op grond van het Wmo. Dit klonk voor ons als meer dan een herstelling van een formeel gebrek.

Echter, als reactie op onze vraag of dit nieuwe normenkader op zichzelf geen gevolgen heeft, kwam het antwoord “Aanleiding voor de invoering van de nieuwe richtlijn is het formele gebrek in de Maastrichtse regelgeving. In het oplossen hiervan ligt de rechtvaardiging. Het ‘extra’ werk is beperkt tot het aanpassen van de regelgeving”. Sterker nog, in de antwoorden van het college werd wederom benadrukt dat “Het algemene beeld is dat de invoering van het normenkader geen gevolgen heeft voor de instroom, uitstroom en het aantal gevoerde bezwaar- en beroepsprocedures.”, “Op zichzelf heeft de richtlijn geen directe gevolgen voor de instroom en de gemiddelde omvang van de dienstverlening.” en “De invoering van het nieuwe normenkader heeft op zichzelf geen impact op de gemiddelde omvang van de dienstverlening huishoudelijke hulp per cliënt.”. Heldere taal dus: volgens het college heeft dit nieuwe normenkader geen gevolgen voor de wachtlijst noch de dienstverlening.

Op 17 januari 2025 verscheen in De Limburger een artikel met betrekking tot het korter worden van de wachtlijst voor de huishoudelijke hulp in Maastricht, van 790 hulpbehoevenden in januari 2024 naar 598 hulpbehoevenden. Als dit betekent dat meer mensen de zorg krijgen waar ze recht op hebben, dan juichen we dit als SP uiteraard toe. Echter, de SP maakt zich zorgen dat, net zoals wij aankaartten in de schriftelijke vragen van 4 april 2024, het nieuwe normenkader wel degelijk de verklaring is van deze slinking van de wachtlijst. Kan het dan toch zo zijn dat dit nieuwe normenkader in is gezet om stengere toetsing mogelijk te maken, om zo meer rechthebbenden uit te sluiten en de instroom te verlagen? Naar aanleiding van het artikel in De Limburger hebben we dan ook een aantal vragen:

  1. Kan het college het krimpen van de wachtlijst voor hulpbehoevenden van huishoudelijke hulp op grond van het Wmo van 790 mensen in januari 2024 naar 598 mensen in januari 2025 verklaren?
    1. Kan het college reflecteren op de mogelijke relatie tussen het krimpen van de wachtlijst en de invoering van de nieuwe normtijden op 14 april 2024?
  2. In een raadsinformatiebrief met nieuws van het sociaal domein gedateerd 1 oktober 2024 werd een update gegeven over de stand van zaken project Herijking Huishoudelijke Hulp. Hierin werd toegelicht dat, na aanleiding van gesprekken met inwoners, “Het merendeel van de nieuwe indicaties is naar beneden bijgesteld, ongeveer 10 procent blijft ongewijzigd en een paar is naar boven bijgesteld.”. Kan het college uitleggen hoe het mogelijk is dat bijna 90% van de indicaties naar beneden is bijgesteld, terwijl het nieuwe normenkader in de worden van het college “geen gevolgen op de gemiddelde omvang van de dienstverlening” zou hebben?
    1. Zijn er sinds 1 oktober 2024 nog meer periodieke onderzoeken en gesprekken met huishoudens geweest? Zo ja, wat waren hier de resultaten van? Zo nee, waarom niet?
  3. Het college heeft op verschillende momenten geopperd dat het aantrekkelijk is dat studenten kunnen werken binnen de huishoudelijke hulp om zo het bestaande personeelstekort te overbruggen. Echter, uit het artikel van De Limburger blijkt dat welwillende studenten niet tot nauwelijks ingepland worden. Kan het college uitleggen waarom de aanpak rondom het inzetten van studenten zo stroef loopt?
  4. Envida gaat zo laat zicht lezen, in de komende tijd volop inzetten op studenten, met een platform waarop mensen zich kunnen aanmelden voor open diensten. In de woorden van directeur wijkzorg bij Envida: “de Uber van de zorg”. Wat is de visie van het college op deze inzet en de uitspraak dat dit het “Uber van de zorg” moet zijn, ook met oog op de vele problematiek bij Uber rondom privacy, de behandeling van de chauffeurs als ZZP’ers in plaats van werknemers, en de algemene ontevredenheid bij chauffeurs.[1]
  5. Kan het college inhoudelijk in gaan op de uitspraak “We zijn in het verleden gewoon erg verwend.” van de directeur wijkzorg bij Envida als het gaat om zorg en ondersteuning? Was de organisatie en indicatie van de zorg en ondersteuning in het verleden dan niet gebaseerd op kennis en expertise van de ambtenaren/consulenten?
    1. Is het college het eens met deze uitspraak, waarin wordt gesuggereerd dat eerdere indicatiestellingen door ambtenaren en deskundigen onzorgvuldig waren, en dat de zorgbehoevende inwoners van Maastricht vroeger “verwend” zijn?
    2. Zo ja, wat voor mensbeeld heeft het college van deze zorgbehoevende inwoners, die al vaak met het minimale moeten doen?
    3. Zo nee, hoe kijkt het college tegenover de aanbesteding van de hulp bij het huishouden aan Envida?
  6. Er gaat schijnbaar heel nog wat mis met de huishoudelijke hulp in Maastricht, met name omtrent indicatiestelling en contact met kwetsbare bewoners. Dit wordt ook omschreven in de schriftelijke vervolgvragen van 50PLUS inzake senioren vriendelijkste gemeente. Hoe is het college van plan dit in de toekomst te verbeteren?

Hoogachtend,

Jonathan Schoen                    Jack van Gelooven
Burgerraadslid SP                   Fractievoorzitter SP   

 

Maastricht, 14 februari 2025
Schriftelijke vragen SP over de toekomst van Maastricht Aachen Airport en de
subsidieverstrekking door de gemeente Maastricht.  

Geacht college,

De afgelopen dagen bereikten ons via de (lokale) media de nodige sombere berichten over de huidige stand van zaken en de toekomstige behoorlijke sombere scenario’s omtrent Maastricht Aachen Airport (MAA). Om die reden voegden wij ons vandaag ook bij de demonstratie die door XR voor de deur van het Provinciehuis georganiseerd werd, aangezien de nieuwe CEO van MAA vandaag in gesprek trad met de Provinciale Staten. Helaas vond dat wel achter gesloten deuren plaats, dus wij zullen nooit te weten komen wat daar precies gezegd en besproken is.

Wij willen nogmaals onze grote zorgen uitspreken over het aanhoudende financiële en maatschappelijke draagvlak dat de gemeente Maastricht biedt aan MAA. In een tijd waarin duurzame keuzes en verantwoord gebruik van publieke middelen centraal zouden moeten staan, is het openhouden van een lokaal vliegveld met echt een minimale meerwaarde niet alleen onlogisch, maar wat ons betreft ook onverantwoord. MAA bevindt zich immers op korte afstand van beter uitgeruste luchthavens zoals Eindhoven Airport en Liège Airport, die beide aanzienlijk meer verbindingen en faciliteiten bieden. Het handhaven van MAA, met forse gemeentelijke subsidies, is daarmee een kostbare en weinig zinvolle onderneming. De jaarlijkse financiële injecties in MAA lijken een verspilling van belastinggeld, zonder dat er sprake is van een substantieel economisch of maatschappelijk rendement voor onze stad.

Daarnaast is het voortbestaan van MAA niet te verenigen met de urgente klimaatdoelstellingen die het college van Maastricht zichzelf heeft gesteld (p. 18). Het vliegveld draagt bij aan aanzienlijke luchtvervuiling en veroorzaakt ernstige geluidsoverlast voor omwonenden. Het openhouden van MAA, terwijl er in de directe omgeving betere alternatieven bestaan, is daarmee niet alleen economisch onverdedigbaar, maar ook ecologisch onverantwoord. Het is dan ook des te wranger dat de gemeente Maastricht zich de afgelopen jaren als partij heeft gevoegd bij allerhande juridische procedures tegen Liège Airport vanwege het vlieglawaai en schade aan de natuur, terwijl zij in de gemeente Beek een ‘eigen’ vliegveld dat eveneens vlieglawaai en schade aan de natuur berokkent koste wat kost open wenst te houden. Blijkens de begroting voor 2025, kent de gemeente Maastricht Maastricht Aachen Airport een jaarlijkse subsidie van EUR 200.000,-, die voor 2025 kennelijk bekostigd werd uit de reserves ‘noodfonds en TONK’ (p. 33).

De SP vraagt uw college dan ook nogmaals dringend om te heroverwegen hoe lang men bereid is deze geldverslindende en milieuvervuilende onderneming te ondersteunen. Wij roepen op tot een grondige evaluatie van de toekomst van MAA, inclusief de mogelijkheid van een gefaseerde sluiting, en verzoeken het college om een duidelijker kritisch standpunt in te nemen over de rol van MAA in de regionale infrastructuur. In het kader van het voorgaande, leggen we uw college graag de volgende vragen voor:

  1. Welke argumenten rechtvaardigen volgens het college nog het voortbestaan van MAA, gezien de nabijheid van Eindhoven en Luik, en met het oog op de sombere financiële resultaten en toekomstscenario’s?  
  2. Mag de raad een overzicht ontvangen van de subsidie die MAA in de afgelopen vijf jaar ontvangen heeft van zowel de provincie, als het rijk en de betrokken gemeenten, in het bijzonder de gemeente Maastricht?  
  3. Welke rol ziet uw college voor zichzelf weggelegd bij de toekomstige vormgeving en financiering van MAA?  
  4. Is het college bereid om de gemeentelijke subsidie aan MAA te beëindigen en in te zetten op duurzamere projecten, zoals het verbeteren van de luchtkwaliteit in onze stad? Zo ja, wanneer mag de raad daar een besluit over tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?  
  5. Hoe weegt het college de milieueffecten en geluidsoverlast van MAA in haar besluitvorming dienaangaande?  
  6. Wat is de langetermijnvisie van het college op de rol van MAA in de regio, en ziet het college ruimte voor een afbouwscenario? Zo ja, wanneer mag de raad een tijdspad tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?  
  7. Wanneer kunnen de inwoners van Maastricht een concreet besluit verwachten over het eventueel stopzetten van de gemeentelijke bijdrage aan de toekomstige financiering van MAA?

Hoogachtend,

Jack van Gelooven          Stephanie Blom
Raadslid SP                        Raadslid SP

 

Maastricht, 11 februari 2025
Schriftelijke (vervolg)vragen SP over het geheim verklaren van de (concepten van) het juridisch advies over de mogelijkheden tot eenzijdige ontbinding van de overeenkomst inzake de herontwikkeling van ‘Palace/Wyck’
.

Geacht college,

Op 14 januari jl. stelden de fracties van de SP en FvD uw college een aantal schriftelijke vragen over het doen opstellen van een juridisch advies inzake de mogelijkheden tot eenzijdige ontbinding van de ontwikkelingsovereenkomst inzake de herontwikkeling van ‘Palace/Wyck’. Al vrij spoedig, te weten op 6 februari jl., kwam daar van de zijde van het college een reactie op, waarvoor onze dank.  In dat antwoord geeft u aan dat zowel de eerdere concepten van het juridische advies, die opgesteld zijn door de ambtenarij, als de inhoudelijke analyse van de stadsadvocaat per vanaf 6 februari onder geheimhouding bij de griffie ter inzage zijn gelegd. In dat antwoord stelt u dat er op basis van ‘artikel 5.1 lid 2 sub b en i Woo geheimhouding op de gevraagde informatie dient te worden gelegd’ (antwoord 5) door het college, en dat deze stukken daarom niet geopenbaard zouden kunnen worden.

Onze fractie wil graag nogmaals benadrukken dat een zorgvuldige en transparante besluitvorming essentieel voor het vertrouwen in de lokale democratie. Politieke debatten over ingrijpende maatregelen, zoals het onteigenen van inwoners ten behoeve van een buitenlandse hotelketen, horen in de openbaarheid plaats te vinden en moeten gebaseerd zijn op openbare stukken. Dit waarborgt niet alleen de integriteit van het proces, maar geeft ook inwoners de mogelijkheid om te volgen hoe besluiten tot stand komen en welke belangen worden afgewogen. Een transparante werkwijze versterkt het democratisch draagvlak en voorkomt de schijn van vooringenomenheid of oneigenlijke invloed. Zeker bij ingrijpende besluiten is het van groot belang dat bestuurders niet alleen de juridische, maar ook de morele verantwoordelijkheid nemen om het debat zorgvuldig, open en controleerbaar te voeren.

Daarom wenst onze fractie u er allereerst op te wijzen dat de Woo het college niet verplicht tot het geheim verklaren van documentatie, maar dat daartoe altijd een belangenafweging dient plaats te vinden, waarna het college kan besluiten om geheimhouding op te leggen. Die keuze is dus geheel aan het college zelf, en wordt niet gedicteerd door de betreffende wetgeving. Vervolgens geeft u in uw antwoorden weliswaar aan de relatieve uitzonderingsgronden b en i uit artikel 5.1. lid 2 Woo in te roepen ter staving van uw beslissing tot geheimhouding, maar volgt vervolgens geen uitvoerige (sterker nog, de facto geen enkele) motivering van de stelling dat deze gronden voldoende basis vormen of af te zien van openbaring van de stukken. In eerdere correspondentie over dit thema met uw ambtenarij, is reeds naar die nadere motivering gevraagd, maar tot op heden hebben wij deze helaas niet mogen ontvangen.

Een en ander heeft bij onze fractie tot een aantal vragen geleid, die in het navolgende nader toegelicht en uiteengezet zullen worden. 

Allereerst betreffende de aangehaalde grond uit artikel 5.1 lid 2 sub i Woo, die luidt: ‘het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.’ In de Memorie van Toelichting bij de Woo, worden ten aanzien van deze uitzonderingsgrond een aantal voorbeelden genoemd waarin openbaarmaking van informatie het goed functioneren van de Staat in het gedrang kan brengen. De initiatiefnemers van de Woo dachten daarbij bijvoorbeeld aan informatie uit (interne disciplinaire) onderzoeken van overheidsinstanties (e.g. een integriteitsonderzoek naar een wethouder) of overleg tussen derden en overheidsinstanties dat niet onder intern beraad valt, maar waarbij wel de verwachting is dat openbaarmaking het gevolg zal hebben dat derden terughoudender zullen worden hun medewerking te verlenen (e.g. een mogelijke getuige in een integriteitsonderzoek naar een wethouder). Voor de toepassing van deze uitzonderingsgrond dachten de initiatiefnemers van de wet onder meer aan ‘crisisachtige aangelegenheden waarbij informatie wellicht op een later tijdstip, maar niet ten tijde van het Woo-verzoek openbaar gemaakt kan worden’ (e.g. de politieke crisis die voortvloeit uit een mogelijk integriteitsonderzoek naar een wethouder). Bovendien geldt ten aanzien van deze weigeringsgrond dat het bestuursorgaan uitgebreid moet motiveren wat maakt dat het openbaar maken van de betreffende informatie zó schadelijk is voor het functioneren van de overheid, dat dit het belang van openbaarmaking duidelijk overtreft.

Ten aanzien van deze weigeringsgrond is in eerdere communicatie met de ambtenarij over dit onderwerp ‘de onderlinge verhouding tussen de raad en het college’ naar voren gebracht. De nadere onderbouwing van het inroepen van deze weigeringsgrond luidde als volgt: 'Openbaarmaking heeft een disproportionele impact op het goed functioneren van de bestuursorganen en de onderlinge verhouding tussen college en de raad. Voor hun goed functioneren gericht op een goede besluitvorming is essentieel dat zij vrijelijk met elkaar kunnen communiceren over risico’s en mogelijke aansprakelijkheid. Dit belang prevaleert boven het belang van openbaarheid.' Het moge duidelijk zijn dat deze nadere interpretatie van de weigeringsgrond geen staving kan vormen voor het besluit de betreffende documenten geheim te verklaren. Daarmee slaagt dit deel van de onderbouwing van de geheim verklaring wat onze fractie betreft dus niet.

  1. Mag onze fractie zo spoedig mogelijk een uitgebreidere en deugdelijkere motivering ontvangen van het collegebesluit om de relatieve weigeringsgrond van artikel 5.1 lid 2 sub i Woo, zijnde het ‘goed functioneren van de Staat’, in te roepen en openbaarmaking van de gevraagde stukken te weigeren?

Dan ten tweede het beroep op een tweede relatieve uitzonderingsgrond uit artikel 5.1 lid 2 onder b Woo, zijnde 'de economische of financiële belangen van de Staat', in casu die van de gemeente. Daar het een relatieve uitzonderingsgrond betreft, dient stevig onderbouwd te worden waarom hier sprake zou zijn van een ernstige schade aan de 'economische of financiële belangen' van de gemeente, wil het uitgangspunt en het belang van 'openbaarheid, tenzij' wijken (zie de Memorie van Toelichting bij de Woo, 33 328, nr. 9). Bovendien geldt dat openbaarmaking van informatie voor bestuursorganen een lastige situatie met zich meebrengt, of dat daardoor een extra inspanning van bestuursorganen noodzakelijk is, op zichzelf nog géén indicatie is dat het economische belang ernstige schade wordt toegebracht door openbaarmaking daarvan. Ook het geval dat bepaalde informatie in rechte tegen de Staat of een ander openbaar lichaam kan worden gebruikt, vormt géén grond om deze uitzonderingsgrond in te roepen (zie eveneens de Memorie van Toelichting bij de Woo, 33 328, nr. 9).

Ter onderbouwing van het aan de orde zijn van de betreffende uitzonderingsgrond uit de Woo, wordt in de eerdere correspondentie met de ambtenarij over dit onderwerp het volgende naar voren gebracht: 'Immers, door het openbaar maken van die informatie zou de Gemeente gehinderd kunnen worden bij het innemen (in en buiten rechte) van de voor haar meeste gunstige visie op eventuele aansprakelijkheid en de gevolgen ervan.' Het moge duidelijk zijn dat dit, in het licht van hetgeen in het voorgaande naar voren gebracht is ten aanzien van de Woo en de restrictieve toepassing van de uitzonderingsgronden, geenszins een afdoende onderbouwing is die het geheim verklaren van de stukken kan rechtvaardigen.

  1. Mag onze fractie zo spoedig mogelijk een uitgebreidere en deugdelijkere motivering ontvangen van het collegebesluit om de relatieve weigeringsgrond van artikel 5.1 lid 2 sub b Woo, zijnde de ‘de economische of financiële belangen van de Staat’, in te roepen en openbaarmaking van de gevraagde stukken te weigeren? De nadere onderbouwing van de schade aan de economische en financiële belangen van de gemeente die uw college meent te ontwaren, kan onzes inziens prima plaatsvinden zonder daarbij te hoeven verwijzen naar de cijfers en standpunten uit de inmiddels geheim verklaarde stukken. 
  1. Mocht u bij de beantwoording van deze vragen tot de conclusie komen dat de nadere onderbouwing van het geheim verklaren van de gevraagde stukken bij een eventuele rechtsgang tegen het gewraakte collegebesluit tot geheim verklaring – waarbij de bestuursrechter dat besluit vol zal toetsen en inhoudelijk zal beoordelen of de naar voren gebrachte gronden voldoende gemotiveerd zijn - wellicht geen standhoudt, is uw college dan alsnog bereid om de stukken te openbaren? Zo ja, wanneer mag de gemeenteraad die openbaring tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?

Hoogachtend,

Stephanie Blom
Raadslid SP                       

Maastricht, 11 februari 2025
Schriftelijke vragen SP inzake jeugdbescherming.

Geacht college, Jeugdbescherming stapt uit het landelijk verbeterprogramma De gecertificeerde instellingen (GI’s) hebben aangekondigd te stoppen met hun deelname aan het landelijke programma Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. De SP maakt zich zorgen over de gevolgen hiervan voor onze stad, de regio, de jeugdzorg en vooral voor de jeugdigen en hun gezinnen zelf. Het doel van het programma was om hulp aan kinderen en gezinnen eenvoudiger, transparanter en effectiever te maken.

De GI’s vinden echter dat de recente aanpassingen van de staatssecretarissen onvoldoende bijdragen aan de oplossing van problemen in gezinnen. De nadruk ligt volgens hen te veel op structuurveranderingen, zoals de oprichting van 25 regionale veiligheidsteams, terwijl er juist behoefte is aan minder bureaucratie en snellere, directe hulp met oog voor de menselijke maat. Door deze koerswijziging blijft er te weinig ruimte om de onderliggende oorzaken van problemen aan te pakken, zoals armoede, verslaving, een tekort aan sociale huisvesting en bezuinigingen op het sociale domein. Dit vergroot het risico op lange wachtlijsten, overlappende hulpverlening en ingewikkelde bureaucratische processen voor gezinnen die juist snel en effectief geholpen moeten worden.

De GI’s wijzen erop dat de aanpak in de zogenaamde proeftuinen veelbelovend was: gezinnen kregen hulp van één team in plaats van via meerdere loketten, wat de samenwerking tussen instanties verbeterde en de zorg overzichtelijker en effectiever maakte. Nu deze aanpak wordt losgelaten, dreigt een gemiste kans voor kinderen en gezinnen die betere zorg verdienen.

De GI’s roepen de staatssecretarissen op om hun besluit te herzien en te kiezen voor een gezinsgerichte, op oorzaken gerichte en eenvoudige aanpak zonder onnodige bureaucratie. Hoewel zij lokaal blijven werken aan betere jeugdbescherming, zien ze zich nu genoodzaakt uit het landelijke programma te stappen. Om te kunnen inschatten wat deze ontwikkelingen voor de betreffende inwoners van onze stad betekenen op korte en langere termijn, hebben we als SP een aantal vragen voor het college:

1. Is het college op de hoogte van het nieuws? Hoe wordt deze ontwikkeling gevolgd en wat zijn de gevolgen voor gezinnen in Maastricht? Is er contact gelegd met relevante partijen en organisaties?

2. Hoe staat het college tegenover de landelijke plannen? Wat is de visie van het Maastrichtse college op de huidige landelijke ontwikkelrichting en de zorgen die de GI’s daarover uiten?

3. Welke organisaties betreft het in Maastricht? Welke gecertificeerde instellingen of jeugdbeschermingsorganisaties in Maastricht zijn betrokken bij deze kwestie?

4. Gaat de gemeente in gesprek met de betrokken partijen? Plant het college concrete gesprekken met de jeugdbeschermingsorganisaties om gezamenlijk naar oplossingen te zoeken? En te bespreken hoe de impact voor cliënten, zoals kwetsbare kinderen en gezinnen, zo klein mogelijk kan blijven?

5. Wat zouden de gevolgen kunnen zijn voor cliënten in Maastricht? Hoe wordt de continuïteit van zorg voor kinderen en gezinnen in Maastricht gewaarborgd nu de GI’s zich hebben teruggetrokken uit het programma?

6. Welke steun biedt Maastricht? Is het college bereid om aanvullende maatregelen te nemen of extra middelen vrij te maken om de jeugdbescherming in Maastricht te versterken?

7. Werkt de gemeente samen met andere gemeenten? Is het college bereid een actieve rol te spelen in een landelijke lobby om de plannen te herzien, zodat kinderen en gezinnen weer centraal staan in het beleid?

8. Gaat Maastricht zo nodig extra investeren in jeugdbescherming? Is de gemeente bereid meer middelen of ondersteuning te bieden als blijkt dat hulp voor gezinnen in de knel komt? Is het college bereid meer te investeren in jeugdbescherming in Maastricht, zodat wachtlijsten worden teruggedrongen en gezinnen sneller geholpen worden?

9. Hoe voorkomt de gemeente bureaucratie? Wat doet Maastricht om de hulp aan gezinnen eenvoudiger en toegankelijker te maken, bijvoorbeeld door overlapping tussen instanties te verminderen als de proeftuinen onverhoopt en alsnog moeten verdwijnen? Hoe voorkomt de gemeente dat gezinnen in Maastricht te maken krijgen met onnodige bureaucratie en ingewikkelde structuren die hen belemmeren in plaats van helpen?

10. Welke lokale stappen worden gezet? Wat doet gemeente Maastricht om de jeugdbescherming eenvoudiger en effectiever te maken, bijvoorbeeld door minder loketten en betere samenwerking tussen instanties? Gaan de GI’s ook in onze stad toch door met de proeftuinen?

11. Structurele oorzaken aanpakken? Hoe zorgt de gemeente ervoor dat structurele oorzaken zoals armoede, schulden, woningnood en verslavingsproblematiek worden aangepakt om gezinnen duurzaam te ondersteunen?

12. Stimuleren van samenwerking ondanks de ontwikkelingen? Hoe zorgt Maastricht ervoor dat lokale instanties beter samenwerken en gezinnen niet van het kastje naar de muur worden gestuurd? Krijgt dit extra aandacht nu er landelijk verkeerde keuzes worden gemaakt?

De oorspronkelijke aanpak in de proeftuinen https://www.nji.nl/professionalisering/proeftuin en/of https://www.rivm.nl/proeftuinen-toekomstbestendige-zorg was juist veelbelovend.

Hoogachtend, Jack van Gelooven Fractievoorzitter SP Maastricht

Maastricht, 10 februari 2025
Betreft: Schriftelijke vragen van SP inzake daklozenbeleid en verwarde personen.

Geacht college, Dakloosheid is een hardnekkig probleem. De SP-fractie maakt zich hier ernstige zorgen over. Eerder stelden we al vragen over problematiek rondom dakloosheid, deze vragen gingen onder andere over aantallen en beboeting van daklozen. In het afgelopen jaar zagen we diverse artikelen rondom het thema voorbijkomen in de media. Daaruit blijkt dat het aantal meldingen van overlast veroorzaakt door daklozen, landelijk stijgt.
 
De politie registreerde dit jaar tot nu toe ruim 33.000 meldingen van overlast door daklozen. Vijf jaar geleden waren dat er in diezelfde periode nog 17.000. Vergeleken met vorig jaar steeg het aantal overlastmeldingen met 6 procent. De politie weet niet waarom het aantal meldingen stijgt. Een mogelijke verklaring volgens het Leger des Heils is dat de opvanglocaties de laatste jaren voortdurend vol zijn. Er is vanuit de opvanglocaties te weinig doorstroming naar woonruimte.
 
Daardoor leven meer mensen noodgedwongen op straat, wat kan leiden tot meer ervaren overlast. Het feit dat het aantal meldingen stijgt geeft ons de indruk dat het aantal daklozen stijgende is, eerder dit jaar kregen we als antwoord dat de gemeente niet direct een forse toename/stijgende trend in het aantal dak- en thuisloze mensen in onze stad ziet, dit kijkend naar de registraties tussen 2019-2023. Alsnog komt er nu in Maastricht een onderzoek naar de precieze aantallen. Gemeenten en deskundigen zien het aantal dak- en thuislozen eerder groeien dan afnemen.
 
Grotere steden werken nog steeds als een magneet op daklozen uit omliggende gemeenten, omdat daar voorzieningen zijn. Centrumgemeenten zijn als budgethouder verantwoordelijk voor het aanbieden van maatschappelijke opvang en beschermd wonen. Inmiddels wil de rijksoverheid ook dat opvang een plicht wordt voor álle gemeenten, gepaard gaande met een herschikking van geld. Opvanginstellingen mogen dak- of thuislozen geen opvangplek weigeren als die geen ‘regiobinding’ hebben. Dat besef is nog niet overal doorgedrongen.
 
Online zagen wij op de website van de LEVANTO-groep dat men alleen in aanmerking komt voor de crisisopvang Shelter043 als je uit de regio Maastricht komt. Ook staat er dat de crisisopvang plek biedt voor 20 mensen uit de omgeving Maastricht. Als men in Maastricht om deze reden geweigerd wordt vinden wij dit een slechte zaak.
 
De SP-fractie heeft de volgende vragen:
 
1. Wat zijn de meest recente cijfers van het aantal daklozen in Maastricht?
 
a. Herkent de gemeente Maastricht het feit van het toenemende aantal meldingen van overlast veroorzaakt door dakloze mensen?
b. Hoe vol zijn de Maastrichtse opvanglocaties? Zijn die zoals het Leger des Heils zegt ook ‘’voortdurend vol’’?
c. Wat gebeurt er als er nergens plek is? Wordt men dan geweigerd? Wordt men elders ondergebracht? Wordt men simpelweg geweigerd? Wat moeten we ons daarbij voorstellen?
d. Wat is het daklozenbeleid in de wintermaanden of bij slecht weer? Zijn er dan meer bedden beschikbaar? Wordt men elders opgevangen? Of heeft men op een gegeven moment gewoon pech als er geen plek is?
e. Wordt men geweigerd als iemand niet uit (regio) Maastricht komen? Wat verstaat de gemeente onder regio/omgeving Maastricht?
f. Tijdens een eerder bezoek bij de daklozenopvang hebben wij vernomen dat men, wanneer mensen niet uit Maastricht komen, voor de nacht worden ondergebracht maar dat ze dan wel de volgende dag met een treinkaartje teruggestuurd worden. Klopt dat en hoe werkt het? Waar wordt men naar teruggestuurd?
g. Wat gebeurt er als iemand die niet uit regio/omgeving Maastricht komt maar, voor wat voor reden dan ook, wel hier wil blijven/ hier blijft rondhangen? Denk hierbij aan daklozen elders uit het land of mensen die van over de grens komen.
h. Ervaart de gemeente Maastricht ook de ‘magnetische’ werking op daklozen uit omliggende gemeenten? i. Wat is de rol van de gemeente Maastricht als centrumgemeente als het gaat om het daklozenbeleid? Hoe verhoudt de gemeente Maastricht zicht in die rol tot andere omliggende gemeenten?
j. Hoe werkt de gemeente Maastricht samen met andere gemeenten? Niet alleen uit ZuidLimburg maar wellicht ook met gemeenten elders in het land of zelfs over de grenzen heen? Eerder subsidieerde de gemeente Maastricht Het Leger des Heils, nu wordt dit werk door de LEVANTO-groep gedaan. De gemeente kiest nu voor een aanbesteding waarbij er per dakloze een bedrag wordt betaald. Voor de cliënten zou niks veranderen.  
 
2. Kan het college hierop reflecteren? Wat zijn de voor- en nadelen in het kader van de huidige aanbesteding ten opzichte van Het Leger des Heils? Wat is er verbeterd?
 
a. AIs er op dit moment nog samenwerking op een ander vlak met Het Leger des Heils? Eén van de antwoorden op vorige vragen van de SP omtrent dakloosheid was dat de aanpak in Maastricht er mede op is gericht dat medewerkers van THOR zich inzetten om dak- en thuisloze mensen toe te leiden naar passende opvang en/of ondersteuning. Hiertoe werken de medewerkers van THOR samen met LEVANTO-groep als opvangorganisatie evenals met Mondriaan (ggz), het Zorg & Veiligheidshuis en de GGD (bemoeizorg).
 
3. Kan deze uitleg nader toegelicht worden? Hoe werken deze organisaties in de praktijk precies samen? En leg het traject dat een dakloos iemand hierin doorloopt uit?
 
a. Elders in het land zou de doorstroom vanuit opvanglocaties naar een woonruimte moeizaam verlopen. Hoe gaat dit in Maastricht? Hoeveel procent van de daklozen gaat succesvol de doorstroom in?
b. Wat kan men na plaatsing in een nieuwe woonruimte verwachten? Hoe wordt men begeleid? En hoe lang wordt men dan begeleid? Wat zijn structurele oplossingen om terugkerende dakloosheid te voorkomen?
c. Een nieuwe locatie van de opvang zal op kortere termijn in de wijk Amby worden gerealiseerd. Is onderzocht of de afstand om vanuit stedelijk Maastricht naar deze nieuwe locatie te geraken geen te grote drempel zal vormen en daarmee toename van dakloze mensen op straat in de binnenstad doet stijgen?
d. Wat is de planning aangaande oplevering van deze nieuwe dag- en nachtopvang? Naast de stijgende dakloosheid zou ook het aantal verwarde mensen toenemen. De voorzitter van de landelijke GGZ, wees erop dat er snel honderden extra beschermde woonplekken nodig zijn voor verwarde personen. Tot 2012 woonde deze groep deels op het terrein van ggz-instellingen, maar die plekken zijn vaak wegbezuinigd. De politie heeft er veel werk aan, leerde onlangs de reality-serie Bureau Maastricht. In Maastricht hebben we ook skaeve huse, om mensen met veel problematiek op te vangen. Op dit moment, volgens recente media, zouden vier van de acht bewoond zijn waarbij de achtste bedoeld is voor begeleiders. Om geplaatst te worden in skaeve huse moet men aan een aantal voorwaarden voldoen.
 
4. Ervaart de gemeente Maastricht een toename in het aantal verwarde mensen?
 
a. Hoe wordt er in het huidige daklozenbeleid rekening gehouden met verwarde personen? Worden verwarde daklozen elders ondergebracht? Bijvoorbeeld i.v.m. de veiligheid? Is er dan ook beleid specifiek gericht op verwarde personen?
b. Waar worden verwarde mensen op dit moment ondergebracht als ze niet in aanmerking komen voor de skaeve huse?
c. Wanneer komt men wél in aanmerking voor de skaeve huse? Aan wat voor problematiek moet men dan denken?
d. Hoeveel beschermde woonplekken zijn er in Maastricht buiten de skaeve huse om beschikbaar? Hoeveel worden er op dit moment gebruikt? Is er een tekort? Zijn er wachtlijsten?
e. Is het college het met de landelijke voorzitter van de GGZ eens dat er ook in onze stad, extra beschermde woonplekken nodig zijn?
f. In hoeverre staat het toenemende aantal verwarde mensen in verhouding met het aantal toenemende daklozen? Naast de toename van het aantal verwarde mensen zien wij ook een toename van dakloze arbeidsmigranten. Vaak worden deze dakloze arbeidsmigranten in veel gemeente geweerd bij de opvang. Het probleem is zo schrijnend geworden dat inmiddels zes gemeenten in Nederland een pilot zijn gestart om het probleem op te lossen. Met 7 miljoen euro van het Rijk hebben gemeenten die meedoen aan de pilot extra plekken ingericht om de arbeidsmigranten wél op te vangen.
 
Ze doen het allemaal op hun eigen manier. Zo kunnen migranten in Venlo een paar nachten in een hotel verblijven en in Eindhoven worden mensen maximaal twee weken opgevangen in een paviljoen op het Trade Forum, net buiten het centrum. Naast opvang worden deze dakloze arbeidsmigranten begeleid naar werk en onderdak, of worden ze met de juiste hulp begeleid om terug te keren naar hun land van herkomst. Dichterbij Maastricht hebben wij ook last van dakloze arbeidsmigranten, in de Westelijke Mijnstreek zouden er ruim 450 daklozen zijn waarvan een deel bestaat uit arbeidsmigranten.
 
5. Welk aandeel van de daklozen in Maastricht zijn dakloze arbeidsmigranten?
 
a. Hoe gaat de gemeente Maastricht om met dakloze arbeidsmigranten?
b. Worden dakloze arbeidsmigranten in Maastricht ook geweerd bij de daklozenopvang? Zo ja, waarom? En worden deze dakloze arbeidsmigranten in zo’n situatie dan ergens anders ondergebracht? 
c. Hoe staat het college tegenover de diverse pilots in den lande aangaande de hier bedoelde problematiek?
 
Hoogachtend, Youri van Mullem Jack van Gelooven Burgerraadslid SP Fractievoorzitter SP
 

Maastricht, 4 februari 2025
Schriftelijke vragen SP over de eenzijdige ontbinding door de gemeente Valkenburg aan de Geul van de ontwikkelingsovereenkomst ten aanzien van de ontwikkeling van hotel Croix de Bourgogne en de relatie met de casus-Palace/Wyck.

Geacht college, Zojuist werd via een artikel in De Limburger bekend dat de gemeente Valkenburg aan de Geul de overeenkomst met de initiatiefnemers van hotel Croix de Bourgogne eenzijdig heeft ontbonden door de ontbindende voorwaarden uit de ontwikkelingsovereenkomst in te roepen. Het bouwplan voor het nieuwe hotel is daarmee definitief van de baan. De gemeente heeft de overeenkomst eenzijdig ontbonden omdat zij het ‘onmogelijk acht dat het hotel met twee dependances nog binnen de afgesproken tijd gerealiseerd kan worden.’ Croix de Bourgogne had op 1 maart 2026 opgeleverd moeten worden, maar volgens de verantwoordelijke wethouder is ‘duidelijk geworden dat dit niet meer haalbaar is.’

Volgens de betrokken wethouder heeft het aanhoudende uitstel van de feitelijke werkzaamheden (door de betrokken ontwikkelaar, SB) ‘ieder vertrouwen in een tijdige realisatie volledig ondermijnd.’ Een en ander betekent dat de gemeente Valkenburg aan de Geul de koopsom voor de grond moet terugbetalen aan de ontwikkelaar, en dat de ontwikkelaar de verkregen gronden terug moet leveren aan de gemeente. Die er vervolgens vast en zeker veel mooiere en zinnigere dingen voor Valkenburg aan de Geul en haar inwoners mee gaat doen.

Nu vraagt uw college zich wellicht af waarom de SP de eenzijdige ontbinding van een overeenkomst met een projectontwikkelaar ten behoeve van de ontwikkeling van een vier-tot-vijf-sterren luxehotel in Valkenburg aan de Geul onder uw aandacht wenst te brengen, aangezien wij ons in Maastricht bevinden. Het antwoord laat zich natuurlijk raden. Allereerst is daar de opmerkelijke toevalligheid dat Maastricht voornemens is een aantal bewoners van de Bourgognestraat te Maastricht te onteigenen voor de komst van een eigen viersterrenplushotel, en dat het afgeschoten hotel in Valkenburg aan de Geul dezelfde Franse streek in haar naam draagt.

Echter, een belangrijkere overeenkomst tussen beide casussen is dat de ontwikkelaar in beide gevallen 2Rocks is, die er in Valkenburg aan de Geul kennelijk niet in slaagt om tijdig met de ontwikkeling van een hotel te beginnen, terwijl de Valkenburgse gemeenteraad al in 2015 akkoord ging met die ontwikkeling. Kortom, de vraag rijst of de bij beide projecten betrokken projectontwikkelaar dan wél in staat is, en dat in de nabije toekomst zal blijven, om überhaupt een tijdig begin te maken met de ontwikkeling van het hotel op de locatie ‘Palace/Wyck’ in Maastricht. In het licht van deze ontwikkelingen, heeft de SP de volgende vragen voor uw college.

1. Is uw college op de hoogte van de redenen waarom 2Rocks niet in staat gebleken is om tijdig aan de ontwikkeling van het luxehotel in Valkenburg aan de Geul te beginnen? Zo ja, mag de raad een overzicht ontvangen van die redenen? Zo nee, kan uw college zo spoedig mogelijk contact opnemen met de ontwikkelaar en uw collega’s in Valkenburg aan de Geul, en de gemeenteraad daarna informeren over de redenen voor de enorme vertraging in de ontwikkeling van het luxehotel in Valkenburg aan de Geul?

2. Is uw college de mening toegedaan dat de geschetste ontwikkelingen, waarbij een buurgemeente ervoor kiest om eenzijdig de ontbindende voorwaarden uit een ontwikkelingsovereenkomst met een projectontwikkelaar ten aanzien van de komst van een hotel in te roepen en wat anders met de gemeentelijke gronden te gaan doen, van invloed zijn - of zouden moeten zijn - op de voorgenomen ontwikkelingen ten aanzien van Palace/Wyck in onze eigen gemeente? Zo ja, wat zou die invloed volgens u moeten zijn? Zo nee, waarom niet?

3. Is uw college, in het licht van deze recente ontwikkelingen, nog steeds voornemens om de raad in mei 2025 te verzoeken om in te stemmen met een onteigeningsbeschikking ten aanzien van de bewoners van de Bourgognestraat 28 om de komst van een viersterrenplushotel dat door 2Rocks ontwikkeld zou moeten worden mogelijk te maken? Zo ja, waarom? Zo nee, is de onteigening dan helemaal van de baan?

4. Is uw college, in het licht van de in het voorgaande geschetste zeer recente ontwikkelingen, bereid om het standpunt dat u niet voornemens noch bereid bent om de ontbindende voorwaarden uit de ontwikkelingsovereenkomst met 2Rocks ten aanzien van Palace/Wyck in te roepen te heroverwegen? Zo ja, wanneer mogen de bewoners van de Bourgognestraat en de gemeenteraad daarover bericht ontvangen? Zo nee, waarom niet?

Hoogachtend, Stephanie Blom Raadslid SP

Maastricht, 3 februari 2025
Schriftelijke vragen SP en CDA over de huurverhogingen per 1 juli 2025.

Geacht college, Op 18 december 2024 maakte de Rijksoverheid de percentages bekend waarmee de verschillende huurcategorieën mogen worden verhoogd per 1 juli 2025. De maximale huurverhoging voor sociale huurwoningen is vastgesteld op 5 procent, voor middenhuurwoningen op maar liefst 7 procent, en voor woningen in de vrije sector bedraagt het percentage 4.1 procent.
 
Op 17 januari 2025 ontving de gemeenteraad van Maastricht een brandbrief van de Woonbond, waarin zij de raad oproepen om ervoor te zorgen dat de huurverhoging in onze gemeente maximaal 3.3. procent zal bedragen, een percentage dat overeenkomt met de inflatie over 2024.
 
Nu is het zo dat de minister alleen de maximale huurverhogingen vaststelt, maar dat het mogelijk is om hier op lokaal niveau van af te wijken. De Woonbond stelt dat corporaties de lokale huurverhogingen pas kunnen opmaken na raadpleging van de huurders(organisaties), conform de Wet op het overleg huurders verhuurder (beter bekend als de Overlegwet). De gemeente zit daarbij niet aan tafel, maar is natuurlijk wel een van de belangrijkste gesprekspartners van corporaties en kan daardoor de stem en het geluid van huurders in de gemeente versterken. In onder andere de gemeenten Oss en Apeldoorn werden onlangs moties aangenomen waarin het college de opdracht gegeven wordt met de woningcorporaties in gesprek te treden over de mogelijkheden tot het beperken van de huurverhogingen voor 2025 tot maximaal 3.3 procent.
 
Een en ander heeft bij onze fracties de volgende vragen doen rijzen:
 
1. Is uw college bereid op korte termijn in overleg te treden met zowel de in Maastricht actief zijnde woningcorporaties, als met de Vereniging Verhuurders Woonruimte Maastricht (VVWM) om met hen de mogelijkheden tot een beperking van de huurstijging tot 3.3 procent te verkennen? Zo ja, mag de raad vóór 1 maart 2025 een verslag van dat overleg ontvangen? Zo nee, waarom niet?
 
2. Is uw college bereid de huurstijging ten aanzien van de woningen die verhuurd worden door de NV Wonen boven Winkels Maastricht, waarvan de gemeente Maastricht samen met de Universiteit Maastricht en woningcorporatie Woonpunt aandeelhouder is, voor 2025 te beperken tot 3.3 procent? Zo ja, kunnen de betreffende huurders daar zo spoedig mogelijk van op de hoogte gesteld worden? Zo nee, waarom niet?
 
3. Is uw college bereid te onderzoeken of het mogelijk is in de nieuwe prestatieafspraken met de woningcorporaties, die in 2026 in zouden moeten gaan, bepalingen op te nemen over de regulering van de maximale lokale huurprijsstijgingen? Zo ja, mag de gemeenteraad daarover een notitie ontvangen? Zo nee, waarom niet?
 
Hoogachtend, Stephanie Blom Gabriëlle Heine Raadslid SP Raadslid CDA

 

Maastricht, 22 januari 2025
Betreft: Schriftelijke vragen SP en PvdD - toegankelijkheid van (deelname) aan de Burgerbegroting.

Geacht college, zoals bekend, kan er tussen 20 en 27 januari 2025 weer digitaal gestemd worden op de projecten die zijn ingediend in het kader van de Burgerbegroting. De stemmen die online worden uitgebracht, wegen voor 40 procent mee in het totaal. Daarnaast vindt er op 1 februari 2025 een ‘slotevent’ plaats in Limmel, waar inwoners tussen 09:30 en 12:30 uur hun stem kunnen uitbrengen. Deze fysiek uitgebrachte stemmen wegen vervolgens voor 60 procent mee richting de einduitslag. Op 2 februari 2025 wordt vervolgens bekend gemaakt welke projecten er door zijn naar de uitvoering. De burgerbegroting in Maastricht is op papier een prachtig initiatief dat de nobele doelstelling heeft om inwoners actief te betrekken bij de besteding van een deel van het gemeentebudget. Het is bedoeld als een laagdrempelige manier om burgerparticipatie te bevorderen, creatieve ideeën uit de stad een kans te geven en de kracht van de gemeenschap te benutten.

Toch moeten we na ons te hebben verdiept in de procedures en het stappenplan eerlijk zijn: de praktijk laat zien dat dit ideaal met name door de hoogdrempelige uitwerking ervan wordt ondermijnd. Het proces blijkt ingewikkeld, met hoge drempels voor 'normale' burgers die graag willen bijdragen maar verdwalen in de wirwar van regels en procedures – zie alleen al de enorme complexiteit van het projectformulier waarmee inwoners hun project kunnen indienen. Bovendien is de stemprocedure complex en worden de projecten vaak ingediend door de al goed georganiseerde usual suspects – groepen, verenigingen, en organisaties die hun weg binnen het systeem al kennen en hun netwerk in de stad hebben opgebouwd.

Bovendien rijst bij sommige projecten de vraag of de Burgerbegroting wel het geëigende middel of de geëigende pot met geld is om aanspraak op te doen. Dit alles roept bij onze fracties vraag op of de Burgerbegroting in de huidige vorm daadwerkelijk iedereen in de stad bereikt, of dat het vooral kansen biedt aan de meest ervaren netwerkers die in staat zijn om een mooi vormgegeven en effectieve social mediacampagne op te zetten en mensen weten te mobiliseren om op 1 februari naar het ‘slotevent’ te gaan. Als we echt een inclusieve stad willen zijn, dan moeten we kritisch kijken naar hoe deze burgerbegroting functioneert.

Om deze redenen willen onze fracties uw college graag de volgende vragen voorleggen:

1. Hoe beoordeelt uw college de toegankelijkheid van de huidige aanvraagprocedure voor inwoners zonder ervaring met projectmanagement of formele procedures, met een taalachterstand, die niet zo digitaal vaardig zijn, of die laaggeletterd zijn?

2. Mocht uw college tot een kritische beoordeling komen bij vraag 1, welke concrete stappen gaat het college ondernemen om het aanvraagformulier en het proces in het vervolg toegankelijker te maken voor ‘gewone’ burgers die minder ervaring hebben met dergelijke procedures?

3. Is het college bereid om samen met ervaringsdeskundigen, zoals laaggeletterden of mensen met een beperking, de huidige aanvraagprocedure te toetsen op begrijpelijkheid en haalbaarheid?

4. Hoe waarborgt het college dat ook inwoners die geen gebruik kunnen maken van digitale middelen (zoals ouderen of mensen zonder internettoegang) toch volwaardig kunnen deelnemen aan zowel het indienings- als stemproces? Een risico dat bij projecten die zijn vormgegeven zoals de Burgerbegroting dat momenteel is altijd op de loer ligt, is het fenomeen elite capture. Deze term verwijst naar het proces waarbij individuen of groepen met een superieure sociale, politieke of economische status onevenredige controle uitoefenen over besluitvormingsprocessen en middelen, waardoor deze worden ingezet voor hun eigen voordeel en projecten, ten koste van die van anderen. Dit fenomeen kan, als er geen mediërende maatregelen ingebouwd worden, leiden tot een scheve verdeling van publieke goederen en diensten, waarbij bepaalde segmenten van de bevolking minder toegang hebben tot deze voorzieningen.

5. Wat doet de gemeente om ervoor te zorgen dat de Burgerbegroting geen exclusief instrument wordt voor reeds goed georganiseerde netwerken en verenigingen?

6. Kan het college garanderen dat het slotevent op 1 februari 2025 fysiek goed bereikbaar is, ook voor mensen met een beperking of zonder eigen vervoer?

7. Is het college bereid om voor de volgende edities van de Burgerbegroting extra maatregelen te treffen, zoals gratis vervoer of een bredere spreiding van fysieke stemlocaties, zodat zoveel mogelijk inwoners daadwerkelijk kunnen stemmen?

8. Hoe reflecteert het college op het feit dat de stem van mensen die – om welke reden dan ook, waaronder een beperking – niet fysiek aanwezig kunnen zijn bij het ‘slotevent’ niet of veel minder zwaar meeweegt bij de bepaling van welke projecten uitgevoerd zullen worden dan de stem van mensen die daartoe wél in staat zijn? En hoe verhoudt een en ander zich tot een eerlijke en inclusieve weging van de stemmen, die toch het uitgangspunt zou moeten zijn van een initiatief als dit?

9. Bent u bereid te onderzoeken welke aanvullende maatregelen nodig zijn om meer diverse groepen inwoners te betrekken bij de Burgerbegroting, zoals mensen met een beperking, laaggeletterden, en mensen zonder groot sociaal netwerk?

10. Welke lessen heeft het college tot nu toe getrokken uit eerdere edities van de Burgerbegroting, en hoe zijn deze lessen toegepast om inclusie te verbeteren?

11. Hoe waarborgt het college dat de Burgerbegroting gebruikt wordt voor projecten die daadwerkelijk aansluiten bij de doelstellingen van dit initiatief?

12. Overweegt het college aanvullende criteria in te voeren, zodat de Burgerbegroting minder vatbaar wordt voor projecten die beter passen bij andere financieringsstromen? Zo ja, aan welke criteria denkt uw college dan? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt zich dat tot het laagdrempelige, rechtvaardige en democratische karakter dat de Burgerbegroting zou moeten kenmerken?

Hoogachtend, Stephanie Blom Ria Strik  - Raadslid SP Raadslid PvdD

Maastricht, 20 januari 2025
(Aanvullende) schriftelijke vragen SP over het Integraal Huisvestingsplan Voortgezet Onderwijs (IHP VO) en binnensport.

Geacht college, zoals bekend, buigt de gemeenteraad zich in februari 2025 over het zogenoemde Integraal Huisvestingsplan Voortgezet Onderwijs (IHP VO) en binnensport. In het kader van de beeld- en besluitvorming rondom dit onderwerp, is er zowel onder verschillende betrokken partijen als in de (lokale) media de nodige onrust en onzekerheid ontstaan over (ten minste) twee onderdelen van dat integrale huisvestingsplan, te weten de verhuizing van het Sint Maartenscollege naar de locatie van het huidige Bonnefanten College in Maastricht-West, en de voorgenomen clustering van het gehele vmbo-onderwijs in Maastricht aan de uiterste oostrand van de stad in de wijk Scharn. Om de gemeenteraad en de rest van de stad in een zo goed mogelijke informatiepositie te brengen, zeker nu de beantwoording van vragen en het adresseren van de bestaande zorgen in de eerste domeinvergadering niet helemaal tot ‘wasdom’ gekomen zijn, heeft de fractie van de SP nog een aantal aanvullende vragen voor het college. Het moge voor zich spreken dat wij deze vragen graag ruim voorafgaand aan de besluitvorming van februari van dit jaar, en het liefst zo spoedig mogelijk, tegemoetzien.

Een groep vastberaden en goed-ingevoerde docenten van het Sint Maartenscollege is onlangs met haar eigen contrarapportage gekomen inzake de wenselijkheid van de verhuizing van deze school naar de huidige locatie van het Bonnefanten College. Een van de grieven die zij in dat rapport naar voren brengen en – onzes inziens – goed onderbouwen, is dat het IHP voornamelijk (zo niet volledig) gebaseerd is op ruimtelijke en technische wensen en eisen, maar dat er geen – of onvoldoende – aandacht is geweest voor onder andere de sociaalpedagogische gevolgen van een dergelijke operatie.

1. Hoe kan het college verantwoorden dat het IHP VO uitsluitend is beoordeeld op ruimtelijke en vastgoed technische haalbaarheid, terwijl er geen enkel onderzoek is gedaan naar de onderwijskundige, demografische of maatschappelijke levensvatbaarheid van het gehele plan in het algemeen, en de verhuizing van het Sint Maartenscollege in het bijzonder?

2. Of is een dergelijk onderzoek wel beschikbaar?

3. Zo nee, hoe is het mogelijk dat de kern van het plan – het bieden van toekomstbestendig onderwijs – volledig ondergeschikt is gemaakt aan bouwtechnische en ruimtelijke overwegingen?

4. Waarom wordt (wederom) van de raad verwacht een plan te steunen zonder deugdelijke en volledige onderbouwing en risicoanalyses, in dit geval die van de daadwerkelijke impact op de kwaliteit van het onderwijs in de stad? Ook ten aanzien van de noodzakelijke en te realiseren leerlingenaantallen op de gewenste nieuwe locatie van het Sint Maartenscollege is inmiddels het nodige te doen. Waar de geschiedenis en de ervaring laat zien dat een gezonde brede middelbare school minimaal 1200 leerlingen (pp. 10 en 62) nodig heeft om levensvatbaar te zijn, zien we dat op het Bonnefanten College op de huidige locatie dat dat aantal bij lange na niet gehaald wordt.

5. Op welke concrete en onafhankelijke analyses baseert het college zich bij haar stellingname dat de locatie Eenhoornsingel geschikt is voor het huisvesten van een mavo, havo en vwoschool? Hoe verklaart het college deze keuze, terwijl historische cijfers onweerlegbaar aantonen dat Maastricht-West structureel kampt met een daling van leerlingenaantallen?

6. Waarom baseert het college het volledige IHP op de leerling prognoses van slechts één partij – Pronexus – terwijl deze zonder onzekerheidsmarges, scenario-analyses en inzicht in de methodologische totstandkoming van die prognoses worden gepresenteerd, en bovendien niet stroken met eerdere prognoses van andere partijen en met de historische ontwikkeling?

7. Hebben LVO en het college andere locaties in Maastricht West dan de bestaande locatie aan de Eenhoornsingel overwogen voor de vestiging van een brede middelbare school, bijvoorbeeld een terrein dat dichter bij de Maas gelegen is dan het huidige Bonnefanten College? Zo ja, welke locaties waren dit en waarom zijn die afgevallen? Zo nee, waarom niet?

8. Mocht inderdaad blijken dat zich voor het Sint Maartenscollege op de nieuwe locatie in Maastricht-West (veel) minder dan de benodigde 1200 leerlingen aanmelden, wordt er dan overgegaan tot een plaatsingsbeleid van leerlingen vanuit geheel Maastricht, bijvoorbeeld doormiddel van loting of een postcodebeleid – tegen het principe van vrije schoolkeuze dat een belangrijk beginsel is in het Nederlandse onderwijssysteem én het advies van de Commissie ARVO (p. 109) in? Zo ja, waarom wordt dit niet opener en helderder naar de ouders, leerlingen en leraren van deze stad, en naar de gemeenteraad gecommuniceerd, aangezien dat loten of gebaseerd op postcode plaatsen grote gevolgen met zich meebrengt voor elke basisschoolleerling? Zo nee, hoe ziet het college dan voor zich dat dit benodigde aantal bewerkstelligd kan worden?

9. Hoe kan het college verantwoorden dat prognoses per locatie willekeurig worden gecombineerd, uitgewisseld of opgeteld, en waarom wordt van de gemeenteraad verwacht blind te vertrouwen op niet of nauwelijks onderbouwde cijfers die de financiële levensvatbaarheid van (vitale onderdelen van) dit plan rechtstreeks beïnvloeden?

10. Hoe kan het college van de gemeenteraad verwachten akkoord te gaan met een investering van meer dan 144 miljoen euro schoolgebouwen en 43 miljoen sportfaciliteiten- daarmee een majeur project - zonder een gedegen onderbouwing van de haalbaarheid en een uitgebreide risicoprofiel- c.q. analyse? 

11. Gezien de lange termijnplanning van het IHP, welke garanties kunnen er worden gegeven dat er voldoende flexibiliteit is ingebouwd in de plannen, mocht er in de toekomst sprake zijn van gewijzigde leerlingenaantallen of andere onvoorziene (demografische) omstandigheden, en is het college bereid die benodigde flexibiliteit ook te hanteren? Een antwoord dat verder reikt dan ‘wij kunnen niet in de toekomst kijken’, ‘wij hebben geen glazen bol’, en ‘dat gaat niet gebeuren’, zou in dezen ontzettend gewaardeerd worden. Ook is in de uitwisseling van gedachten over dit onderwerp ter sprake gekomen dat zowel LVO als het college in dezen geen serieuze poging ondernomen hebben om een draagvlak- en behoeftenonderzoek te doen onder de huidige en toekomstige scholieren waar we het hier uiteindelijk toch over hebben, noch dat er aan ouder-en-leerling-participatie gedaan is bij de totstandkoming van het plan.

Dit druist rechtstreeks tegen het advies van de Commissie ARVO (p. 9) in en vormt, wat onze fractie betreft, een zwakke plek in het besluitvormingsproces.

12. Waarom heeft het college geen serieuze poging ondernomen om draagvlak te creëren bij de belangrijkste betrokkenen, zoals ouders, leerlingen, personeel, docenten, medezeggenschapsraden, en buurtbewoners, zeker in het licht van de twee eerdere mislukte poging om tot een succesvol IHP te komen? Kunt u deze vraag beantwoorden voor de casus Maartenscollege, maar zeker ook voor de verontruste woonbuurt die zeer grote zorgen heeft geuit uit m.b.t. de nieuwe clustering van de vmbo-scholen in oost.

13. Het college stelt dat dit IHP VO, in lijn met het ARVO-advies, zorgt voor een ‘evenwichtige spreiding van middelbare scholen over de stad.’ Hoe kan het college deze claim onderbouwen, terwijl er ook na de uitvoering van het laatste IHP VO slechts één school in Maastricht-West blijft, waardoor de bestaande scheve verdeling van vo-scholen in de stad ongewijzigd blijft ten opzichte van de huidige situatie?

14. Kan het college nog eenmaal uitgebreid reflecteren op het al dan niet bestaan van een relatie tussen de voorgenomen verkoop van de gronden aan de Sint Maartenssingel ten behoeve van de ontwikkeling van een nieuwe rechtbank en de voorgenomen/gedwongen verhuizing van het Sint Maartenscollege van de huidige locatie naar de Eenhoorsingel?

Hoogachtend, Jack van Gelooven Stephanie Blom Fractievoorzitter SP Raadslid

Maastricht, 16 januari 2025
Schriftelijke vragen SP over de grondruil tussen de gemeente Maastricht en Maastricht  Beheer BV in het kader van de herontwikkeling van Belfort West.

Geacht college,

Onze fractie heeft reeds in november 2024 met grote belangstelling kennisgenomen van de berichtgeving over de geplande ontwikkeling in de wijk Belfort en de daaraan gekoppelde grondruil tussen de gemeente Maastricht en Maastricht Beheer BV. Deze ruiltransactie hield in dat Maastricht beheer BV twee relatief kleine perceeltjes van respectievelijk 625 m2 en 572 m2 (met daarop het oude SNS-filiaal en het oude Sint Jozefkerkje) mocht ruilen tegen maar liefst 3427 m2 bouwrijpe grond die in handen was van de gemeente. Deze transactie, waarbij grond met een ogenschijnlijk beperkte omvang en waarde geruild is tegen een veel groter stuk bouwrijpe grond, roept een aantal wezenlijke vragen op over het strategische grondbeleid van de gemeente en de rol van private partijen bij dergelijke transacties.

Uit het artikel blijkt dat Maastricht Beheer BV, een partij met wortels in Varsseveld, enkele jaren geleden specifiek geïnteresseerd is geraakt in twee relatief kleine percelen in Belfort. Het is opmerkelijk dat deze gronden, die jarenlang onbenut zijn gebleven en een deel daarvan ogenschijnlijk weinig ontwikkelingswaarde hadden, toch in beeld zijn gekomen bij deze private partij. Dit roept vragen op over de manier waarop deze gronden op de radar van Maastricht Beheer BV zijn verschenen en over de communicatie tussen de gemeente en de betrokken partij voorafgaand aan de transactie.

Daarnaast speelt de vraag of de gemeente, gezien het strategische belang van grondposities in stedelijke gebieden of gebieden die tot herontwikkeling dienen te worden gebracht, zelf eerder had kunnen of moeten anticiperen op de mogelijke ontwikkelingswaarde van deze percelen. Het ruilen van gronden zonder duidelijke transparantie over de waardebepalingen en het bredere strategische kader kan immers leiden tot vragen over de behartiging van het publieke belang. Een en ander is opnieuw actueel geworden nu door uw college aangekondigd is dat de geplande ontwikkelingen in Belfort later dit jaar van start gaan.

De SP hecht groot belang aan helderheid en verantwoording over de afwegingen die aan deze grondruil ten grondslag liggen. Om deze reden leggen wij graag de volgende vragen aan u voor:

  1. Hoe worden strategische grondaankopen in het algemeen bepaald en beoordeeld binnen het beleid van de gemeente, zeker in het licht van voorgenomen herontwikkelingen van delen van onze stad?
  1. Waarom heeft de gemeente Maastricht de betreffende gronden in Belfort die in eigendom waren van Maastricht Beheer BV niet eerder strategisch aangekocht, gezien hun ligging en potentieel voor de toekomstige ontwikkeling van het gebied?
  1. Heeft het college inzicht in de reden(en) waarom Maastricht Beheer BV juist deze gronden in Belfort enkele jaren geleden op het oog kreeg? Zo ja, zou de raad ten aanzien daarvan een uiteenzetting mogen ontvangen?
  1. Kan uw college de gemeenteraad, desnoods onder geheimhouding, inzicht verschaffen in de taxatierapporten ten aanzien van de betrokken gronden, waaruit zou blijken dat de twee kleine perceeltjes mét `bestaande bebouwing en het bouwrijpe perceel dat 2240 m2 groter is inderdaad allebei een waarde vertegenwoordigen van EUR 725.000,- en daarmee van gelijke waarde zijn, hetgeen deze een-op-een grondruil zou rechtvaardigen?
  1. Welke waarborgen zijn er sinds 2020 tot stand gebracht om te voorkomen dat strategisch waardevolle grondposities in de toekomst aan private partijen verloren gaan zonder een zorgvuldige afweging van het algemeen belang?

Hoogachtend,

Stephanie Blom
Raadslid SP

Maastricht, 15 januari 2024
Schriftelijke vragen creatief boekhouden door Maastrichtse school voor gehandicapte kinderen.
 

Geacht college,

Follow the Money en De Limburger hebben recent artikelen gepubliceerd over school de Tyltylschool Maasgouw. De vraag is of er gefraudeerd is met zorggelden voor onderwijs. Dit dossier loopt al langere tijd. Wij vinden het jammer dat onze gemeente niet actiever is geweest om uit te zoeken of deze constructie juridisch standhoudt en daarnaast zich niet uitspreekt of deze constructie wenselijk is. Daarentegen beroept de gemeente zich op het feit dat het ministerie van OCW deze manier van bekostiging goedkeurt. Dat staat echter los van de vraag of het juridisch standhoudt en of het wenselijk is.

Deze situatie was überhaupt niet tot stand gekomen als de Wet Passend Onderwijs van 2014 niet een andere financieringssystematiek met zich met bracht, die een verevening van de verdeling van ondersteuningsbudget betekende. Voor de invoering van passend onderwijs, werd het ondersteuningsbudget voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, ongelijk verdeeld over het land. Nu wordt het naar verhouding verdeeld, op basis van het totaalaantal leerlingen. Er wordt dus niet gekeken naar of een regio meer kinderen heeft die extra ondersteuning nodig hebben, zoals in Limburg het geval. Onder het mom van inclusiviteit hoopt men zo minder kinderen in het speciaal onderwijs te krijgen. Een doelstelling die overigens niet gehaald is.

Het CDA is van mening dat de gemeente hier een actieve rol in moet nemen en niet als een mak schaap het ministerie moet volgen. Daarnaast vinden wij het niet wenselijk dat ouders van gehandicapte kinderen nu op de tijden buiten school in de problemen komen met het bieden van zorg omdat het PGB-budget voor een groot deel naar school moet gaan. Wij hebben hierbij de volgende vragen:

  1. Welke acties heeft de gemeente zelf gedaan in dit dossier? Heeft u juridisch laten uitzoeken of deze constructie standhoudt? Zo ja, wat komt daaruit? Zo nee, gaat u dit juridisch uitzoeken?  
  2. Hoe kijkt u aan tegen de twijfels die ook op het ministerie leven of dit juridisch standhoudt? Uit een Woo-verzoek blijkt dat juristen op het OCW zelf betwijfelen of dit juridisch kan. Is blind meevaren op het ministerie met die wetenschap dan wijs?
  3. Vindt u deze constructie wenselijk gezien ouders in de problemen komen en deze constructie eenzijdig is opgelegd?
  4. Tijdens de verandering van de financieringssystematiek in 2014 is niet aangegeven dat dit was omdat onderwijs voor zorg betaalde. Dit is nu wel wat de school en Adelante beargumenteren. Alsof dit voor 2014 een probleem was. Kunt u aangeven uit welke stukken wij dit moeten opmaken? Is er een memorie van toelichting waaruit blijkt dat dit een doelstelling was van de Wet Passend Onderwijs? Speciaal onderwijs houdt toch altijd een component zorg in gezien het om gehandicapte kinderen gaat?
  1. De inzet van zorgbudget voor school wordt inmiddels door de betreffende school gesteld als voorwaarde. In welke wet staat dat? Welke juridische grondslag is hiervoor?
  1. Als ouders weigeren zorgbudget in te zetten voor klassenassistenten op school, wordt het kind dan school geweigerd? Wat kan een leerplichtambtenaar dan doen? In navolging op vraag 5: heeft de gemeente een goed beeld van het aantal thuiszittende kinderen? Wij vernemen dat dit aantal toeneemt en niet in beeld is.
  2. De gemeente betaalt nu in feite voor de klasse-assistenten (zie toelichting begroting school). Geld vanuit de jeugdwet en WLZ gaat via de Stichting Adelante Zorg naar school. Terwijl voor deze activiteit al eerder onderwijsbudget is toegekend. Dubbel declareren dus. Hoe kijkt de gemeente hiertegen aan? In welke verordeningen staat opgenomen dat we deze gelden zo mogen gebruiken?
  3. Wij willen u attenderen op de onderschrijdingsregeling in de onderwijswetgeving, zoals bijvoorbeeld artikel 142 Wet primair pnderwijs. De regeling is in het leven geroepen om bevoordeling van openbaar onderwijs ten opzichte van bijzonder onderwijs te voorkomen. Bij overschrijding van de budgetten (extra geld) was er het recht van besturen bijzonder onderwijs gelijkstelling te eisen. In feite gebeurt dat nu andersom, bevooroordeling van bijzonder/speciaal onderwijs. Bevooroordeling van Adelante en school met budgetten van zorg. Net zoals bij onderwijshuisvesting en leerlingenvervoer dient een en ander, als het al wenselijk is, in een verordening opgenomen te zijn. In dat geval kunnen ook de belangen van de ouders worden meegewogen en kan er getoetst worden of het de constructie in strijd is met de doelstelling. De wet op de jeugdzorg is gericht op ondersteuning in de thuissituatie. Hoe kijkt de gemeente hier tegenaan? Kunt u wat betreft de overschrijdingsregeling dit juridisch laten toetsen? Waarom staat deze constructie in geen enkele verordening opgenomen? Is dit juridisch houdbaar?
  4. Specifiek wat betreft de doelgroepenfinanciering: deze subsidie wordt door school aangevraagd op basis van individuele beschikkingen JW. Mogen deze collectief worden ingezet, want dat is wel wat er gebeurt (zie wederom toelichting begroting)? Hoe is de rol van de ouders, als wettelijke vertegenwoordigers in deze constructie gewaarborgd?

Hoogachtend,
Gabriëlle Heine                 Stephanie Blom 
CDA Maastricht                SP Maastricht                

Maastricht, 14 januari 2025
Schriftelijke vragen SP inzake het niet-voldoen aan de informatieplicht ex. artikel 169 lid 3 Gemeentewet inzake de casus-Palace/Wyck.   

Geacht college,

Tijdens de begrotingsvergadering van 12 november 2024 stelde wethouder Bastiaens dat het eenzijdig inroepen van de ontbindende voorwaarden uit de overeenkomst met de ontwikkelaar van het project Palace/Wyck zou kunnen leiden tot een schadeverhaal op de gemeente. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de fractie van de SP reeds op 22 november 2024 middels een technische vraag verzocht om een raming van de (hoogte van) de mogelijke planschade en een juridisch advies over de waarschijnlijkheid van een succesvol schadeverhaal. Dit zodat wij als raadsleden een goedgeïnformeerde afweging kunnen maken over de wenselijkheid van een eventuele ontbinding van de overeenkomst die moet leiden tot de ontwikkeling van wederom een luxehotel op een van de mooiste en duurste gronden van Maastricht.

In de beantwoording van deze vraag d.d. 10 januari 2025 stelt het college dat de complexiteit van de kwestie en de hypothetische aard van de situatie een dergelijke analyse niet zouden rechtvaardigen. Daarbij wordt aangegeven dat de gemeente noch de ontwikkelaar voornemens is om de ontbindende voorwaarden in te roepen, waardoor er geen noodzaak tot het (doen) opstellen van een overzicht en een juridisch advies zou bestaan. De SP ziet dat echter diametraal anders, daar in artikel 125 lid 1 van de Grondwet is bepaald dat de gemeenteraad aan het hoofd van de gemeente staat, en daarmee het hoogste bestuursorgaan is. Uiteindelijk is het dan ook de gemeenteraad die bepaalt of de ontwikkeling van het Marriott-hotel doorgang zal vinden. Om die reden zal onze fractie bij de raadsvergadering van 28 januari a.s. dan ook een motie vreemd aan de orde van de dag indienen die het college opdraagt de ontbindende voorwaarden uit de overeenkomst in te roepen, en samen met de inwoners van onze stad en de gemeenteraad op zoek te gaan naar een andere bestemming voor deze gemeentelijke gronden.

Graag wil de SP opnieuw voor het voetlicht brengen dat raadsleden op grond van artikel 33 lid 1 Gemeentewet recht hebben op ambtelijke ondersteuning om hun controlerende en kaderstellende taken naar behoren uit te kunnen voeren. Dit eigenstandig recht op ambtelijke ondersteuning is nader uitgewerkt in onze eigen Verordening organisatie griffie en ondersteuning raad gemeente Maastricht uit 2021. Bovendien is in artikel 169 lid 3 Gemeentewet bepaald dat het college de raad ‘mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen[geven], tenzij het verstrekken daarvan in strijd is met het algemeen belang.’ Het (niet-)handelen van het college in de onderhavige kwestie is wat onze fractie betreft dan ook opnieuw een flagrante schending van de grondwettelijke bevoegdheden en rechten van raadsleden, waarvan we er in de huidige collegeperiode al de nodige gezien hebben.

Deze gang van zaken heeft bij onze fractie dan ook de volgende vragen opgeroepen, en we verzoeken uw college met klem om deze ruim voorafgaand aan de raadsvergadering van 28 januari a.s. te beantwoorden.

  1. Kan het college de raad schetsen waarom het ‘antwoord’ (of eigenlijk: het gebrek daaraan) op het informatieverzoek van de SP ruim anderhalve maand op zich heeft laten wachten, zeker met het oog op de magere inhoud van dat antwoord?
  1. Mag de gemeenteraad alle eerdere conceptversies van de beantwoording van deze technische vraag ontvangen, met daarbij alle door betrokkenen voorgestelde wijzigingen en aanpassingen? Zo ja, wanneer mogen wij die stukken tegemoetzien? Zo nee, waarom niet?

Op grond van de artikelen 24 en 25 van de Verordening organisatie griffie en ondersteuning raad gemeente Maastricht 2021 verleent een ambtenaar de door raadsleden gevraagde ambtelijke ondersteuning tenzij:

  1. Het raadslid niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ondersteuning betrekking heeft op zijn werkzaamheden als raadslid;
  2. dit het belang van de gemeente kan schaden;
  3. dit gezien de omvang van het verzoek een onevenredig zware belasting voor de ambtenaar dan wel de organisatie met zich mee brengt;
  4. hierdoor de loyaliteit van een ambtenaar aan het college op onaanvaardbare wijze in het gedrang wordt gebracht.
  1. Op welke van deze limitatief opgesomde formele gronden baseert het college zich precies ten aanzien van de weigering om ambtelijke ondersteuning te bieden conform artikel 33 lid 1 Gemeentewet en de Verordening organisatie griffie en ondersteuning raad gemeente Maastricht 2021? Mocht geen van de genoemde gronden zich voordoen, op welke niet-formele grond baseert het college zich dan en hoe verhoudt zich dat tot hetgeen bepaald is in de Gemeentewet en de genoemde Verordening?
  1. Is het college met onze fractie van mening dat het ontbinden van de overeenkomst in de casus-Palace/Wyck geen hypothetische situatie betreft, daar een motie die het college daartoe opdraagt al een aantal maanden boven de gemeenteraad hangt, maar het indienen daarvan steeds uitgesteld is door het uitblijven van antwoorden of het uit-de-hoge-hoed-toveren van nieuwe argumenten, zonder dat die argumenten vervolgens voldoende onderbouwd worden? Zo ja, waarom is uw college dan niet tot het (doen) opstellen van de gevraagde informatie overgegaan? Zo nee, waarom niet?
  1. Is uw college in dat licht alsnog bereid om aan de technische vraag van de SP tegemoet te komen, ruim voorafgaand aan de raadsvergadering van 28 januari a.s.? Zo ja, wanneer mogen wij die beantwoording tegemoetzien? Zo nee, waarom niet?

Wij zien een spoedige beantwoording van onze vragen met smart tegemoet.

Hoogachtend,

Stephanie Blom
Raadslid SP

 

Maastricht, 14 januari 2025
Schriftelijke vragen SP, PvdD, M:OED, GroenLinks en Volt over de inzet van politiemacht bij de demonstratie van de actiegroep Stop A2 verbreding bij Rijkswaterstaat d.d. 10 januari 2025.   

Geacht college,

Op 10 januari jl. vond bij het gebouw van Rijkswaterstaat aan de Avenue Ceramique in Maastricht een demonstratie van de actiegroep Stop A2 verbreding plaats. Deze actiegroep, die bestaat uit tientallen activisten, lokale bewoners en verschillende milieugroepen uit Limburg, verzet zich tegen de verbreding van de snelweg A2 tussen de knooppunten Kerensheiden en Het Vonderen in het algemeen, en in het bijzonder tegen de kap van het oude bos langs de A2 en het gebruik van het schadelijke bouwmateriaal Beaumix, dat zware metalen bevat die een ernstige bedreiging vormen voor het grondwater, het milieu en de volksgezondheid.

Om hun gerede zorgen kenbaar te maken en een krachtig signaal af te geven, besloot een groep van circa 16 demonstranten in de middag van vrijdag 10 januari de centrale hal van het gebouw van Rijkswaterstaat, de opdrachtgever van het bestreden project, op vreedzame en ludieke wijze te bezetten. Onze fracties hebben signalen bereikt dat er ten aanzien van deze actie door de lokale driehoek besloten is om een politiemacht van circa 30 agenten op de been te brengen; dubbel zoveel als het aantal aanwezige demonstranten. Bovendien wilden de aanwezige agenten aanvankelijk wat al te enthousiast en op fysieke wijze aan de slag met het verwijderen van de eerste activisten. Uiteindelijk zijn zeven demonstranten gearresteerd, in kleine en benauwde arrestantenbusjes vastgehouden, en even later weer heengezonden. 

Een en ander heeft bij onze fracties dan ook een aantal prangende vragen opgeroepen, die niet alleen aan deze actie raken, maar ook aan de waarborging van het demonstratierecht in algemene zin. Deze vragen leggen wij in het navolgende graag aan u voor:

  1. Mag de gemeenteraad een feitenrelaas ontvangen over de besluitvorming binnen de lokale driehoek tussen burgemeester, politie en het openbaar ministerie omtrent de inzet van deze grote politiemacht ten aanzien van een kleine groep demonstranten? Welke specifieke risico-inschattingen of dreigingen lagen ten grondslag aan de bepaling van de omvang van de politie-inzet?
  2. Welke instructies zijn aan de politie gegeven omtrent de bejegening en behandeling van deze vreedzame demonstranten?
  3. Verdenking van welk delict/van welke delicten lag ten grondslag aan de arrestatie van een deel van de demonstranten? Hoe beoordeelt uw college de proportionaliteit van deze inzet in verhouding tot de omvang en aard van de demonstratie?
  4. Is uw college het met onze fracties eens dat het op de been brengen van een politiemacht van een dergelijke omvang, zeker ten opzichte van de geringe omvang van de groep demonstranten, bijdraagt aan een negatieve en schadelijke framing van vreedzame en redelijke actiegroepen als Extinction Rebellion en Stop A2 verbreding? Zo ja, waarom wordt daar toch voor gekozen? Zo nee, waarom niet?
  5. Deelt het college de mening van onze fracties dat het op de been brengen van een politiemacht van een dergelijke omvang naar aanleiding van een kleinschalige en vreedzame demonstratie een zogenoemd chilling effect kan hebben, dat demonstranten er in de toekomst van zou kunnen weerhouden om hun demonstratierecht uit te oefenen? Zo ja, hoe is uw college voornemens om een en ander in de toekomst te voorkomen? Zo nee, waarom niet?

We zien de beantwoording van deze vragen graag binnen de daarvoor geldende termijn tegemoet.

Hoogachtend,

Stephanie Blom   Ria Strik   Martin van Rooij   Anne Lucas  Jules Ortjens
SP                       PvdD       M:OED                GroenLinks    Volt

Maastricht, 8 januari 2025
Schriftelijke vragen SP - Hoogte vergoedingen door Jeugdfonds Sport & Cultuur

Geacht college,

Recentelijk hebben we vernomen dat de vergoedingen die via het Jeugdfonds Sport & Cultuur door de gemeente Maastricht worden toegekend aan kinderen die willen sporten momenteel ruim onvoldoende zijn. Dit komt doordat deze vergoedingen al jaren niet werden geïndexeerd en bijgesteld. In een periode van inflatie en stijgende kosten zijn de vergoedingen dus anno 2024 absoluut niet meer kostendekkend. Dat daardoor veel ouders hun kinderen het sporten moeten ontzeggen, dat contraproductief werkt en niet in lijn is met de ambities van het college op dit terrein. 

In het antwoord op de schriftelijke vragen van het CDA d.d. 27 september 2022, en in het coalitieakkoord 2022-2026, geeft het college aan dat het haar ambitie is dat elk kind in Maastricht toegang heeft tot sport en cultuur. Deze ambitie onderschrijven wij als SP-fractie uiteraard van harte maar over hoe dit in de praktijk uitpakt voor gezinnen die leven rond en onder de armoedegrens resteert ons een aantal vragen.

  1. Kan het college een overzicht geven van wat in Maastricht de maximale vergoeding is die per sportend kind kan worden uitgekeerd door het Jeugdfonds Sport & Cultuur?
  2. Kan het college toelichten of het klopt dat deze vergoeding de afgelopen jaren niet met de stijgende kosten en inflatie is geïndexeerd?
  3. Kan het college aan de hand van een aantal actuele voorbeelden toelichten of deze maximale vergoeding nog voldoende is voor vergoeden van het reguliere lidmaatschapsgeld voor een sportvereniging plus een basisuitrusting voor de meeste gebruikelijke sporten? Bedrag vergoeding afgezet tegen gebruikelijke contributies.
  4. Kan het college bevestigen dat zwemles op dit moment als een reguliere sport gerekend wordt en hier geen apart bedrag voor uitgekeerd wordt, bovenop een eventuele vergoeding voor een andere sportactiviteit?
    1. Zo ja, kan het college bevestigen dat het volgende scenario zich kan voordoen: een kind dat op een leeftijd van vijfeneenhalfjaar begint met voetbaltraining noodgedwongen een jaar lang moet stoppen met voetbal als hij op de leeftijd van zeseneenhalf aan zwemles kan beginnen, omdat de gemeente Maastricht maar een van deze twee sporten tegelijkertijd vergoedt?
    2. Zo ja, deelt het college de opvatting van de SP-fractie dat het bovenstaande scenario uiterst onwenselijk is en tegen de coalitie-ambities indruist?
  5. Is het college bereid te onderzoeken of zwemlessen apart vergoed kunnen worden via het Jeugdfonds Sport & Cultuur, aangezien het hier wat onze fractie betreft om een basisvaardigheid gaat die iedere kind los van andere sporten zou moeten leren beheersen zodat scenario´s als hierboven genoemd zich niet meer voor hoeven te doen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer mag de gemeenteraad de plannen daartoe tegemoetzien?

De SP onderschrijft de uit het coalitieakkoord 2022-2026 blijkende ambitie van het college dat “elk kind” toegang moet hebben tot “boeken (incl. stimuleren van bibliotheek op school), en sport en cultuur.” De SP denkt echter dat deze ambitie niet ten volle gerealiseerd kan worden zolang de vergoedingen niet effectief verhoogd worden en het volgen van zwemlessen het beoefenen van andere sporten uitsluit. Kinderen uit gezinnen die leven onder en rond de armoedegrens kunnen zo niet volwaardig deelnemen aan het sportieve en gezonde leven (denk hierbij aan preventie, GALA en positieve gezondheid etc. waar we de mond van vol hebben).

  1. Deelt het college de opvatting van de SP-fractie dat de huidige situatie en de eerder geschetste gevolgen daarvan niet in lijn zijn met de ambities zoals gesteld in het coalitieakkoord? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is daar tot op heden nog niets aan gedaan?
  1. Is het college bereid met het Jeugdfonds Sport & Cultuur in gesprek te treden om samen te kijken wat zij aan extra middelen nodig hebben om sport echt voor elk kind toegankelijk te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kunnen alle betrokkenen dat overleg tegemoetzien?

Hoogachtend,

Sem Bonte                          Jack van Gelooven 
Burgerlid SP                       Fractievoorzitter SP

Maastricht, 6 januari 2025 
Schriftelijke vragen SP inzake de mogelijke concentratie van voedselbanken in Maastricht

Geacht college,

Vanuit de stad bereiken ons signalen over mogelijke veranderingen met betrekking tot de voedselbanken in Zuid-Limburg en andere initiatieven die actief zijn op dit terrein in Maastricht. Zo vernamen wij via de website van ‘De Gouwe’ dat er wordt gewerkt aan het opzetten van één centrale voedselbank voor Maastricht, gevestigd op één locatie en ingericht volgens het zogenaamde supermarktmodel. ‘De Gouwe’ geeft aan dat zij rond 15 januari een besluit wil nemen over de voortzetting van haar activiteiten in 2025, afhankelijk van de ontwikkelingen. Momenteel is haar dienstverlening stilgelegd. Over de status van andere partijen in de stad hebben wij op dit moment geen duidelijkheid.

Een dergelijke concentratie van (vrijwillige) voedselhulp zou een ingrijpende verandering betekenen voor vele betrokkenen. Wij horen dat er onder vrijwilligers en cliënten in de wijken veel onrust en onzekerheid heerst, mede door een gebrek aan inspraak en informatie over de voorgenomen plannen.

De SP acht het van belang dat de raad nauw betrokken wordt bij een verandering van deze omvang. Daarnaast vragen wij ons af of deze ontwikkeling strookt met het streven van uw college om op meerdere terreinen buurtgericht te werken. Wij willen daarom de volgende vragen aan u voorleggen:

  1. Kan de wethouder een overzicht geven van de voorgenomen ontwikkelingen rondom voedselbanken in Maastricht? Is er een projectplan of tijdspad opgesteld? Zo ja, mag de gemeenteraad dat van u ontvangen?
  2. Zijn er al concrete plannen uitgewerkt? Zo ja, kunnen wij deze inzien?
  3. Welke organisaties zijn betrokken bij deze ontwikkelingen?
  4. Waarom is er gekozen voor de centralisatie van voedselbanken in Maastricht?
  5. Wie neemt de leiding in dit proces? Wat wordt de formele structuur van de nieuwe voedselbank?
  6. Welke rol speelt de gemeente bij deze veranderingen?
  7. Wat is de beoogde locatie en werkwijze van de nieuwe organisatie?
  8. Wat zijn de voordelen van deze transitie volgens het College?
  9. Zijn er ook mogelijke nadelen? Indien ja, welke, en hoe worden deze aangepakt?
  10. Wordt de hulpverlening aan kwetsbare inwoners door deze veranderingen niet in gevaar gebracht?

Hoogachtend,

Jack van Gelooven
Fractievoorzitter SP

Maastricht, 2 januari 2025 
Schriftelijke vragen SP inzake het uitstel van de introductie van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor de Wmo naar 1 januari 2027.

Geacht college, Op 23 december 2024 verscheen op de website van Binnenlands Bestuur een artikel onder de titel ‘Inkomensafhankelijke eigen bijdrage Wmo per 2027’. In dat artikel wordt beschreven dat de invoering van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) met twee jaar wordt uitgesteld. Dit uitstel heeft mogelijk grote gevolgen voor de wachtlijsten voor huishoudelijke hulp in gemeenten, waaronder Maastricht. Zoals u weet, heeft Maastricht momenteel een aanzienlijke wachtlijst voor huishoudelijke hulp via de Wmo.
 
De verwachting was dat deze wachtlijst deels zou worden teruggedrongen door de invoering van de inkomensafhankelijke bijdrage per 1 januari 2025, aangezien inwoners met een hoger inkomen daardoor mogelijk minder aanspraak zouden maken op Wmo-voorzieningen, en zelf voor hun eigen ‘poets’ zouden gaan zorgen. Het uitstel tot 2027 kan daarmee een directe impact hebben op de toegang tot zorg voor onze inwoners en de werkdruk op het personeel dat deze hulp biedt. Gezien de urgentie en de grote gevolgen voor een groot deel van onze inwoners, heeft de SP-fractie de volgende vragen voor het college.
 
1. Kan het college een actuele stand van zaken geven ten aanzien van de omvang van de wachtlijst voor huishoudelijke hulp in Maastricht?
 
2. Heeft het college een inschatting gemaakt van de impact van het uitstel van de inkomensafhankelijke bijdrage op deze wachtlijsten? Zo ja, kunt u deze analyse met de raad delen? Zo nee, zou het college deze alsnog kunnen (doen) opstellen en zo spoedig mogelijk aan de raad kunnen toezenden?
 
3. Welke concrete maatregelen neemt het college om de wachtlijsten voor huishoudelijke hulp terug te dringen, nu de invoering van de inkomensafhankelijke bijdrage is uitgesteld? Blijkens het overzicht van de Tarieven en bedragen per 1 januari 2024 die in februari 2024 in het gemeenteblad van Maastricht gepubliceerd zijn, hanteerde de gemeente Maastricht in 2024 een tarief van EUR 19,18 per uur voor zowel de informele als de formele huishoudelijke hulp.
 
4. Op welke wijze, of aan de hand van welke rekentool, is het college tot het voornoemde tarief gekomen?
 
5. Hoe verhoudt dit tarief zich tot de tarieven die in gemeenten van een vergelijkbare omvang met een vergelijkbare zorgvraag gehanteerd worden, en met het landelijk gemiddelde tarief?
 
6. Mocht er bij de bepaling van de tarieven ‘gebenchmarkt’ zijn, mag de raad een overzicht ontvangen van de gemeenten en de tarieven die zij hanteren in vergelijking waarmee het tarief voor de gemeente Maastricht bepaald is?
 
7. Overweegt het college aanvullende financiële middelen vrij te maken om de wachtlijsten met spoed te verkorten, zeker nu de gemeente Maastricht jaar na jaar miljoenen aan gemeenschapsgeld overhoudt op de gemeentelijke balans? Zo ja, welke opties worden overwogen? Zo nee, waarom niet?
 
8. Hoe waarborgt het college dat huishoudelijke hulp via de Wmo op de lange termijn toegankelijk blijft voor onze sterk vergrijzende bevolking, ongeacht toekomstige wijzigingen in de bijdrage-systematiek?
 
9. Welke mogelijkheden ziet het college om, in afwachting van landelijke veranderingen, lokaal beleid te ontwikkelen dat de toegankelijkheid en betaalbaarheid van huishoudelijke hulp bevordert? De fractie van de SP ziet uw beantwoording graag binnen de daarvoor geldende termijn tegemoet.
 
Hoogachtend, Stephanie Blom Raadslid SP
 

Maastricht, 19 december 2024
Schriftelijke vragen SP over het rapport Bouwen op wonen. Solidariteit in Nederland op het gebied van wonen. 

Geachte college, Op 18 december 2024 publiceerde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) het rapport Bouwen op wonen. Solidariteit in Nederland op het gebied van wonen. In dat rapport komt het SCP tot een aantal stevige conclusies en aanbevelingen ten aanzien van de Nederlandse woning“markt”, waarop het voor veel mensen (te) moeilijk is om passende en betaalbare woonruimte te vinden. En, zoals reeds bekend, heeft dat grote gevolgen voor zowel Nederland als voor Maastricht; voor zowel individuele burgers ‘wier leven on hold staat’ (p. 5) als voor de samenleving als geheel. In het rapport wordt geconcludeerd dat Nederland kampt met een tekort aan passende en betaalbare woningen, wat leidt tot grote sociale ongelijkheden. Jongvolwassenen en particuliere huurders zijn met name de dupe van deze situatie. De belangen van reeds gevestigde bewoners (insiders) zijn beter gewaarborgd dan die van nieuwkomers (outsiders), wat resulteert in een toenemende kloof tussen deze groepen (pp. 18 – 19).
 
In het rapport wordt ook de rol van solidariteit op de woningmarkt onderzocht. Daaruit blijkt dat burgers zich niet altijd solidair met anderen tonen. Vaak wordt de schuld voor de problemen bij 'het systeem' gelegd, wat hun gevoel van onmacht versterkt. In focusgroepen gaven deelnemers aan dat solidariteit moet 'verdiend' worden, vooral bij situaties waarin persoonlijke belangen op het spel staan (p. 22). Een andere belangrijke bevinding uit het rapport is dat directe solidariteit vooral voorkomt in de context van familie. Ouders steunen hun volwassen kinderen financieel en emotioneel, maar deze steun is niet voor iedereen beschikbaar, wat leidt tot ongelijkheden tussen generaties en tussen verschillende sociaaleconomische groepen (p. 24). De bestudering van het rapport, heeft bij de fractie van de SP tot de volgende vragen geleid.
 
1. Hoe gaat het college om met de ongelijkheid tussen sociale en particuliere huurders in Maastricht, zoals benoemd in het rapport? Welke concrete maatregelen worden genomen om met name de positie van particuliere huurders te versterken, en hoe effectief zijn die maatregelen volgens uw college tot op heden?
 
2. Het rapport wijst op de stijgende huurprijzen en lange wachttijden. Welke stappen onderneemt het college om de wachttijd voor sociale huurwoningen in Maastricht terug te dringen en de huurprijzen betaalbaar te houden?
 
3. Het rapport benadrukt de negatieve invloed van beleggers op de woningmarkt. Welke acties onderneemt het college om speculatie op de woningmarkt in Maastricht tegen te gaan en woningen beschikbaar te houden voor bewoners in plaats van investeerders, en hoe stuurt zij op betaalbaarheid (én de minimale omvang) bij het toekennen van omgevingsvergunningen?
 
4. Hoe zorgt het college ervoor dat beleidskeuzes in Maastricht bijdragen aan meer solidariteit op de woningmarkt, zoals het eerlijker verdelen van woningtoegang tussen verschillende inkomensgroepen en generaties?
 
5. Het rapport noemt bezwaarprocedures als vertragende factor ten aanzien van de woningbouw. Hoe balanceert de gemeente Maastricht de rechten van bewoners om bezwaar te maken met de noodzaak om woningbouw te versnellen? Zijn er plannen om de stem van woningzoekenden sterker mee te wegen in deze processen? Zo ja, hoe ziet de vormgeving daarvan er dan uit?
 
6. Hoe beoordeelt het college de mogelijkheid om op basis van de Huisvestingswet voorrang te verlenen aan cruciale beroepen zoals verpleegkundigen, hulpverleners, en leraren bij de toewijzing van sociale huurwoningen, en welke concrete stappen worden gezet om dergelijke regelingen in Maastricht te implementeren?
 
7. Welke juridische middelen zet het college in om structurele leegstand van woningen in Maastricht tegen te gaan, en op welke wijze wordt hierbij gehandeld conform de Leegstandswet?
 
Hoogachtend, Stephanie Blom Raadslid SP

 

Maastricht, 18 december 2024
Schriftelijke vragen SP - Toekenning extra gelden aan Maastricht Marketing.

Geacht college,
Op 17 december 2024 ontving de gemeenteraad een raadsinformatiebrief (RIB) met de titel ‘Convenant en aanvullende opdrachten Maastricht Marketing.’ Uit dit RIB wordt duidelijk dat Maastricht Marketing voor 2025, bovenop de circa 1 miljoen euro die zij al jaarlijks ontvangen, eenmalig EUR 335.000,- uit de budgetten behorende bij de economische visie en arbeidsmarkt toegekend krijgt. Zoals reeds lang en breed bekend, maakt de SP zich grote zorgen over de ongebreidelde citymarketing van onze stad door, onder andere, Maastricht Marketing. In plaats van nóg meer toeristen en bezoekers aan te trekken, zouden we ons moeten richten op het verbeteren van het woon- en leefklimaat voor de ruim 125.000 inwoners van Maastricht. De stad is immers geen verdienmachine voor ondernemers en horecaexploitanten, maar een thuis voor de mensen die hier leven, werken en op een prettige manier oud willen worden. 
 
Het huidige marketingbeleid, zoals voorgesteld in het verlengde convenant en de nieuwe opdrachten voor Maastricht Marketing, legt de nadruk op het aantrekken van bezoekers onder noemers als de verschrikkelijke term “Bleisure” en het positioneren van Maastricht als kennis- en innovatiestad. Dit klinkt ambitieus, maar heeft in de praktijk één gevolg: nóg meer drukte in de stad. De binnenstad zucht al onder de last van het toerisme, met negatieve gevolgen voor de leefbaarheid en het woonplezier van onze inwoners. Bewoners hebben recht op een stad waar zij zich thuis voelen en waar zij niet dagelijks geconfronteerd worden met de gevolgen van massatoerisme en de druk die dit oplevert op de openbare ruimte.  
De effecten en de resultaten van inspanningen van Maastricht Marketing zijn bovendien simpelweg niet meetbaar. In de raadsinformatiebrief lezen we niets over concrete resultaten of de doelmatigheid van de toegekende subsidies. Hoeveel levert deze marketing nu écht op voor onze stad? We hebben geen enkel inzicht in de return-on-investment van de €984.656 jaarlijkse subsidie, laat staan van de aanvullende budgetten van €100.000 en €235.000. Geld dat wat de SP betreft, veel beter geïnvesteerd zou kunnen worden in de verbetering van onze buurten, voorzieningen en betaalbare woningen. 
 
Een en ander heeft bij de SP tot de volgende vragen geleid.
1. Kan het college de raad inzicht geven in de concrete resultaten van de inspanningen
van Maastricht Marketing in de afgelopen jaren, zonder daarbij te vervallen in
algemeenheden over ‘spin-off-waarde’?                                                                           

2. Hoe voorkomt het college dat het nieuwe convenant en de extra subsidie leidt tot
nóg meer druk op de binnenstad?

3. Hoe ziet het college de balans tussen het bevorderen van toerisme en het
beschermen van het woon- en leefklimaat van de inwoners, en is deze balans
volgens het college nog steeds een gezonde?

4. Voor de aanvullende opdracht "Bleisure" is €100.000 gereserveerd. Welke concrete resultaten verwacht het college hiervan, en hoe gaat het college meten of deze extra investeringen een succes waren?

5. Waarom wordt er opnieuw geld uitgetrokken voor “Bleisure” en positionering,
terwijl er dringende problemen spelen op het gebied van armoede, de culturele
instellingen (denk daarbij aan Opera Zuid, dat ook een publiekstrekker is voor
Maastricht), de woningnood en achterstallig onderhoud in wijken?

 
Hoogachtend,
Jack van Gelooven
Raadslid SP

 

Maastricht, 10 december 2024
Schriftelijke vragen SP over de lage brede welvaart in de gemeente Maastricht.

Geacht college,

Het concept brede welvaart betreft de kwaliteit van leven in de breedste zin, inclusief materiële welvaart, gezondheid, onderwijs, milieu, sociale cohesie en persoonlijke ontplooiing. Bij de beoordeling van de brede welvaart wordt niet alleen gekeken naar economische indicatoren zoals het bruto binnenlands product (bbp), maar ook naar ecologische en sociaal-maatschappelijke aspecten die bijdragen aan het welzijn van individuen en gemeenschappen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) definieert brede welvaart als de kwaliteit van leven 'hier en nu' en de mate waarin deze ten koste gaat van de brede welvaart van latere generaties of van mensen elders in de wereld.

Voor de SP is het bevorderen van brede welvaart essentieel, aangezien het aansluit bij onze kernwaarden van solidariteit, rechtvaardigheid en het streven naar een samenleving waarin iedereen gelijke kansen heeft. Onze partij benadrukt al decennia dat economische groei niet het enige doel moet zijn; het gaat er ons vooral om dat deze groei ten goede komt aan de hele samenleving en niet leidt tot grotere ongelijkheid of ecologische schade. In lijn met deze visie pleit de SP voor een economie die niet ongebreideld groeit, maar gericht is op het welzijn van alle burgers, met speciale aandacht voor degenen die minder kansen hebben. En dat is waar de brede welvaart dus om de hoek komt.

Uit recente metingen blijkt dat Maastricht, als sterk verstedelijkte gemeente, een lage brede welvaart kent. Dit betekent dat, ondanks mogelijke economisch groei, de algehele levenskwaliteit van de inwoners achterblijft. De SP maakt zich zorgen over deze ontwikkeling en acht het noodzakelijk dat uw college tot concrete actie over gaat.

Daartoe heeft de SP de volgende vragen.

1. Welke factoren identificeert het college als de belangrijkste oorzaken van de relatief (erg) lage brede welvaart in onze gemeente?

2. Welke concrete stappen heeft het college tot nu toe ondernomen om de brede welvaart in Maastricht te verhogen, en zijn er specifieke beleidsplannen ontwikkeld die gericht zijn op het verbeteren van zowel de materiële als immateriële aspecten van het welzijn van de inwoners van Maastricht?

3. Op welke wijze monitort het college de ontwikkelingen op het gebied van brede welvaart binnen de gemeente Maastricht, welke indicatoren worden gehanteerd om de voortgang te meten, en hoe worden deze gegevens gebruikt om het beleid bij te sturen?

4. Heeft het college een langetermijnvisie ontwikkeld om de brede welvaart in Maastricht structureel te verbeteren? Zo ja, hoe worden toekomstige generaties meegenomen in deze plannen, en op welke manier wordt ervoor gezorgd dat de huidige beleidsmaatregelen niet ten koste gaan van de welvaart van latere generaties? Zo nee, waarom niet?

5. Is het college bereid desk research te doen en Maastricht te vergelijken met andere gemeenten van eenzelfde omvang en bevolkingssamenstelling, die tot op heden wél succesvol zijn in het verhogen van de brede welvaart, om zo best practices te identificeren en uiteindelijk door te ontwikkelen tot beleid? Zo ja, wanneer mag de gemeenteraad de uitkomsten daarvan tegemoetzien? Zo nee, waarom niet?

Hoogachtend, Stephanie Blom Raadslid SP

Maastricht, 10 december 2024
Schriftelijke vragen - Nieuw sociaal stelsel

Geacht college,
Tijdens de domeinvergadering Sociaal van 5 november jl. presenteerde het Nibud een onderzoek naar ons Maastrichtse sociale stelsel. Het onderzoek concludeerde dat ons lokale systeem voor veel inwoners onduidelijk en moeilijk toegankelijk is. Dit leidt ertoe dat mensen minder vaak gebruikmaken van sociale voorzieningen, terwijl deelname aan deze voorzieningen essentieel is voor de werking van ons sociale
vangnettenstelsel. De complexiteit van ons sociale stelsel wordt vooral veroorzaakt door de verschillende inkomensgrenzen voor de diverse regelingen. Deze grenzen liggen vaak tussen 100% en 150% van de bijstandsnorm.

Zo kan iemand met een inkomen van 120% van de bijstandsnorm wel een tegemoetkoming voor de energierekening krijgen, maar geen tegemoetkoming voor de aanvullende zorgverzekering, omdat daar
een lagere inkomensgrens geldt. 

Naar aanleiding van hiervan hebben we een aantal vragen:
1. Heeft onze gemeente in kaart welke inkomensafhankelijke sociale regelingen er zijn, en welke inkomensgrenzen er worden gehanteerd per regeling? Zo ja, kunt u ons dat overzicht laten toekomen in een overzichtelijke tabel? Zo nee, waarom niet?

2. Hoe zou een dergelijk overzicht of tabel uit vraag 1 op een effectieve manier gedeeld kunnen worden met Maastrichtenaren die gebruik zouden kunnen maken van deze regelingen? Is het
college bereid dit overzicht op die manier te communiceren naar inwoners? Zo nee, waarom niet?

3. Is het college bekend met andere gemeenten in Nederland, die dit anders aanpakken en als gevolg een betere beoordeling van het Nibud krijgen? Zo ja, welke gemeenten zijn dit? Zo nee, ziet het college de mogelijkheid dit te achterhalen en zo van andere gemeenten te kunnen
leren?

4. Is het college het met ons eens dat het verduidelijken van ons sociaal stelsel volgens de adviezen van Nibud van essentieel belang is voor het verbeteren van de toegankelijkheid ervan? Zo ja, op welke manier wordt hier op dit moment aan gewerkt of gaat eraan gewerkt worden? Zo nee,
waarom niet?

Met vriendelijke groet,
Jules Ortjens Ria Makatita Jack van Gelooven Bert Garnier Jos Gorren
Volt SPM SP MAASTRICHT van NU SAB
Anne Lucas Martin van Rooij
GroenLinks M:OED

Maastricht, 10 december 2024
Schriftelijke vragen SP over (te) kleine woningen en flexwoningen in Maastricht.

Geacht college, In oktober van dit jaar verscheen het rapport Woningen voor kleine huishoudens van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Het PBL onderzoekt daarin de karakteristieken, het gebruik en de spreiding van kleine flexwoningen en kleine permanente woningen in Nederland. Zoals inmiddels hopelijk bekend, ervaart Nederland al sinds enige tijd een tekort aan betaalbare woningen, wat vooral problematisch is voor spoedzoekers zoals gescheiden mensen, statushouders, en mensen die een instelling verlaten. De Rijksoverheid ziet flexwoningen als een oplossing voor deze doelgroep. Flexwoningen zijn tijdelijk en vaak verplaatsbaar, en worden sneller gebouwd dan permanente woningen.
 
Ze richten zich voornamelijk op een- of tweepersoonshuishoudens en zijn vaak kleiner dan 50 vierkante meter. De studie van het PBL vergelijkt flexwoningen met zogenoemde HAT-woningen (Huivesting Alleenstaanden en Tweepersoonshuishoudens) uit de jaren '70 en '80, die ook gericht waren op eenen tweepersoonshuishoudens, maar die permanent van aard waren. Ook andere kleine woningen worden door het PBL vergeleken.
 
Er zijn momenteel ongeveer 482.000 kleine woningen in Nederland, wat betekent dat het 5,9 procent van de totale woningvoorraad betreft. Flexwoningen zijn meestal kleiner dan 30 vierkante meter en worden vaker in minder stedelijke gebieden gebouwd. Bovendien zijn ze zijn vaak in handen van woningcorporaties. De bewoners van kleine woningen zijn meestal jonger dan 30 jaar, waarmee jongeren in die woningcategorie oververtegenwoordigd zijn. Bewoners van flexwoningen verhuizen vaker en sneller dan die van HAT- of andere kleine woningen.
 
De tevredenheid met kleine woningen is over het algemeen lager dan met grotere woningen, en er blijkt uit het onderzoek van het PBL een duidelijke voorkeur voor woningen van 51 tot 100 vierkante meter. Uit de analyse van de woontevredenheid blijkt dat bewoners van kleine woningen over het algemeen minder tevreden zijn met hun woning dan bewoners van grotere woningen. Dit verschil in tevredenheid is consistent door de jaren heen, zoals blijkt uit de WoON-enquêtes. Sinds 2012 neemt de tevredenheid van bewoners van kleine woningen verder af, waarbij het percentage dat ontevreden tot zeer ontevreden is, is gestegen van 3,5 procent in 2012 naar 9,7 procent in 2021. Voor bewoners van grote woningen is er ook een daling in tevredenheid, maar deze is minder sterk dan bij de bewoners van kleine woningen.
 
Een belangrijke factor voor de ontevredenheid lijkt de omvang van de woning te zijn. Bewoners van kleine woningen zijn vaker van mening dat hun woonruimte te klein is en vinden hun woning minder vaak geschikt dan bewoners van grote woningen. Ook geven bewoners van kleine woningen vaker aan dat ze onvoldoende buitenruimte hebben, zoals een terras of tuin, in vergelijking met bewoners van grote woningen. Kennisname van de inhoud van dit rapport, heeft bij de SP tot de volgende vragen geleid:
 
1. Hoeveel flexwoningen zijn er momenteel in Maastricht, en hoe verhoudt dit zich tot de totale behoefte aan woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens?
 
2. Wat doet het college om ervoor te zorgen dat de realisatie van flexwoningen geen doel op zich is om het woningtekort maar aan te pakken, maar woningzoekenden uiteindelijk een voor hen passende woning kunnen vinden?
 
3. Hoe waarborgt het college dat de flexwoningen in Maastricht voldoen aan voldoende kwaliteit en wooncomfort, gezien de kritiek op tijdelijke woningen uit het verleden?
 
4. In hoeverre is het college bereid om samen met woningcorporaties te investeren in, en te komen tot, permanente, betaalbare en vooral voldoende grote woningen voor kleine huishoudens in plaats van te focussen op tijdelijke flexwoningen?
 
5. Hoe wordt ervoor gezorgd dat de locaties voor flexwoningen in Maastricht goed bereikbaar zijn en voorzien van de nodige infrastructuur en voorzieningen?
 
6. Wat doet het college om ervoor te zorgen dat de bouw van flexwoningen in Maastricht niet leidt tot sociale segregatie of concentratie van kwetsbare groepen?
 
7. Welke maatregelen neemt het college om te voorkomen dat bewoners van flexwoningen in Maastricht gedwongen worden om na korte tijd te verhuizen vanwege het tijdelijke karakter van deze woningen?
 
8. Hoe bevordert het college dat er bij de bouw van nieuwe woningen in Maastricht voldoende rekening wordt gehouden met de voorkeuren van ook kleine huishoudens voor woningen van 51 tot 100 vierkante meter, zeker in het licht van het steeds vaker afwijken van bestemmingsplannen om tóch de ontwikkeling van kleinere woningen dan op basis van ons eigen beleid toegestaan zijn goed te keuren (e.g. de casussen Calvariënklooster, Jodenstraat, Adelbert van Scharnlaan, etc.)?
 
9. In hoeverre is het college bereid en in staat om de ervaringen en lessen van andere gemeenten met flexwoningen te gebruiken om het woonbeleid in Maastricht te verbeteren, en de breedgedeelde onvrede van bewoners van kleine woningen (zowel permanent als flex) mee te nemen in het woonbeleid en de goedkeuring van bouwprojecten?
 
Hoogachtend, Stephanie Blom Raadslid SP
 

Maastricht, 10 december 2024
Betreft: Schriftelijke vragen Volt, SP, Pvda, Groenlinks, M:OED inzake tegengaan hittestress in verschillende wijken van Maastricht

Geacht college,
Volgens het online statistiek database www.allecijfers.nl zijn de top 10 buurten met het laagste gemiddelde bruto jaarinkomen per inwoner
.

1. Malpertuis
2. Pottenberg
3. Limmel
4. Caberg
5. Nazareth
6. Mariaberg
7. Malberg
8. Wittevrouwenveld
9. Frontenkwartier
10. Sintmaartenspoort

Op het klimaatnet van de gemeente Maastricht kan men de gecombineerde hitte urgentiekaart terugvinden. Via deze kaart worden verschillende factoren gecombineerd, zoals het percentage kwetsbare mensen, de gemiddelde schaduwfractie van gebouwen, het percentage van de bevolking dat hittestress ervaart, en het percentage groen, om de wijken van Maastricht een zogenaamde “Gecombineerde Hitte Urgentie classificatie” toe te kennen. Vervolgens wordt per wijk duidelijk waar de urgentie rondom hitteproblematiek het hoogst ligt en waar maatregelen getroffen moeten worden. De bovengenoemde wijken met een urgentieniveau van ‘Hoog’ of ‘Zeer hoog’ zijn (op willekeurige volgorde):

1. Wittevrouwenveld
2. Sintmaartenspoort
3. Frontenkwartier
4. Caberg
5. Malberg
6. Mariaberg
7. Limmel

7 van de 10 buurten met het laagste gemiddelde jaarinkomen in Maastricht hebben dus behoefte aan een snelle herinrichting van de openbare ruimte om hittestress tegen te gaan. Ondanks deze behoefte en de sociaal-economische kwetsbaarheid van deze buurten wordt er in de raadsinformatiebrief ‘Vergroening van de stad’ van 7 november jl. maar heel summier verwezen naar initiatieven ter vergroening in samenwerking met CNME buiten de binnenstad. Vanwege het gebrek aan informatie
omtrent vergroening in de buitenwijken hebben bovenstaande partijen de volgende vragen:
1. Tijdens de domeinvergadering Fysiek van 5 november jl. gaf het college aan dat woonwijken prioriteit ontvangen omtrent vergroening en dat hittestress een factor is die vergroeningsbeleid stuurt.
a. Heeft het college nog steeds de ambitie om deze prioriteit te volgen in haar vergroeningsbeleid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kan het college meer informatie over de vergroening-ambities van de woonwijken delen, met name over de realisatie van grote vergroenings-initiatieven, binnen de klimaatadaptatiestrategie?

2. In de raadsinformatiebrief ‘Actualisatie Omgevingsvisie’ van 7 november jl. ontvangen de buurten Binnenstad, Boschstraatkwartier, Sint Maartenspoort, Wyckerpoort, Wittevrouwenveld en Heugemerveld prioriteit op basis van de huidige analyse groen. Er worden dus helaas maar 2
van de 7 wijken met een lagere sociaal-economische status geprioriteerd voor vergroeningambities.
a. Kan het college beargumenteren waarom de maatstaf van de huidige analyse groen is gebruikt om de prioriteit vast te leggen in plaats van een integrale overweging zoals de hitte urgentie-kaart en de sociaal-economische status van buurten in Maastricht?
b. Zou het niet rechtvaardiger zijn om de prioriteit te leggen op de wijken waarin de mensen moeilijk rond komen, waardoor er dus meer financiële steun vanuit de gemeente nodig is omtrent de vergroening van de openbare ruimte? Is het mogelijk om deze specifieke differentiatie op te nemen in de geactualiseerde omgevingsvisie, de klimaatadaptatiestrategie of iets in die trent?

3. Het uitvoeringsprogramma Energie- en Warmtetransitie 2023-2026 maakt gebruik van zogenaamde wijkuitvoeringsplannen om de energie- en warmtetransitie per wijk uit te voeren en de bewoners van de wijk mee te nemen en te activeren in deze transitie.
a. Zou deze aanpak inspiratie kunnen zijn voor een dergelijke uitvoeringsprogramma omtrent hittestress en/of vergroening of geïmplementeerd kunnen worden in de klimaatadaptatiestrategie? Zo ja, hoe voorziet het college de vorm van wijkuitvoeringsplannen jegens hittestress? Zo nee, hoe gaat het college dan om met verschillen tussen wijken die de mate en problematiek van hittestress beïnvloeden?

b. Als het college van plan is om wijkuitvoeringsplannen voor hittestress te formuleren, is het college dan van plan hier ook de sociaal-economische status van wijken in mee te nemen? We kijken uit naar uw antwoorden.

Met vriendelijke groet,
Mart den Heijer Stephanie Blom Anita van Ham Lex Vos Martin van Rooij
Volt SP PvdA GroenLinks MO:ED

Maastricht, 9 december 2024
Schriftelijke vragen - Nieuwe invulling van de herontwikkeling Landbouwbelang en het bijna volledig verdwijnen van de culturele component daaruit.

 
Geacht college,
Het Landbouwbelang is een plek die door velen in onze stad gekoesterd wordt. Ten aanzien van de (commerciële) herontwikkeling van dit iconische gebouw – wat volgens de SP nog steeds een ontzettend slechte beslissing is – heeft de gemeenteraad destijds ingestemd met plannen die een duidelijke, stevige culturele invulling als voorwaarde stelden.
 
Dit was niet zomaar een keuze, maar een bewuste stap om recht te doen aan de geschiedenis van het Landbouwbelang als culturele vrijplaats en om Maastricht een blijvend cultureel anker te bieden in een tijd van steeds verder toenemende commercialisering, gentrificatie, homogenisering, en de verdringing van cultuurmakers. Tot onze grote teleurstelling bereikte ons gisteren het bericht dat deze culturele invulling bijna volledig (op mogelijk 1000 m2 na) lijkt te verdwijnen. Het huidige voorstel, waarbij enkel de studies European Studies en International Business naar het Landbouwbelang zouden verhuizen, staat onzes inziens haaks op de afspraken die destijds gemaakt zijn en waarmee de raad heeft ingestemd. Beide studies hebben volgens de SP weinig tot niets te maken met de (deels) culturele functie waarin de herontwikkeling van het Landbouwbelang zou moeten voorzien.
 
Dit is wat onze fractie een fundamentele wijziging in de invulling van de plannen en kan wat ons betreft niet zonder heroverweging door de raad plaatsvinden. Een dergelijke koerswijziging doet niet alleen afbreuk aan de oorspronkelijke visie, maar ondermijnt ook het vertrouwen in het proces. De oorspronkelijke herontwikkeling werd immers gegund op basis van plannen met een sterkere culturele component. Als deze plannen nu worden uitgehold, is dat niet alleen een klap voor de cultuur in onze stad, maar ook een oneerlijk voordeel voor de huidige ontwikkelaar ten opzichte van andere partijen die wellicht wél een grotere culturele invulling hadden kunnen en willen realiseren.
De SP is van mening dat de herontwikkeling van het Landbouwbelang, onder de huidige gewijzigde omstandigheden, opnieuw moet worden gegund. De raad moet de kans krijgen om de plannen opnieuw te beoordelen en andere partijen moeten de mogelijkheid krijgen om met een alternatieve invulling te komen die wél recht doet aan de eerder geformuleerde intenties. Op basis van bovenstaande constateringen, heeft de SP de volgende vragen voor het college:
 
1. Is het college met ons van mening dat de huidige plannen voor het Landbouwbelang, waarin opleidingen als European Studies en International Business worden gehuisvest, niet langer daadwerkelijk voldoen aan de oorspronkelijke ideeën over een stevige culturele invulling? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat moeten volgens het college daar dan de gevolgen van zijn?
 
2. Erkent het college dat het huidige plan een fundamentele wijziging is van de uitgangspunten waarmee de raad destijds heeft ingestemd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke gevolgen moet een en ander dan volgens uw college hebben?
 
3. Mag de gemeenteraad de volgende documenten ontvangen van het college? 1. Ambitiedocument Landbouwbelang Maastricht; 2. Concept Programma van Uitganspunten (PvU) Landbouwbelang; 3. Stedenbouwkundige Randvoorwaarden Landbouwbelang.
 
4. Is het college bereid de herontwikkeling opnieuw naar de raad te brengen, zodat de democratische legitimiteit van de plannen wordt gewaarborgd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer mogen wij de discussie en een raadsvoorstel ten aanzien daarvan tegemoetzien?
 
5. Hoe rechtvaardigt het college dat de oorspronkelijke aanbesteding is gegund op basis van plannen met een (sterke) culturele component gericht op de podiumkunsten, terwijl die component nu bijna volledig lijkt te verdwijnen?
 
6. Is het college bereid een nieuwe aanbestedingsprocedure te starten, zodat andere partijen opnieuw een kans krijgen om met plannen te komen die wél aan de voorwaarden voldoen? Zo ja, per wanneer kunnen wij die procedure tegemoetzien? Zo nee, waarom niet?
 
7. Is het college bereid in samenspraak met de raad, de bewoners en gebruikers van het Landbouwbelang, en de culturele sector een nieuw, bindend kader op te stellen voor de toekomstige invulling van het Landbouwbelang? Zo ja, per wanneer mogen wij dat proces tegemoetzien? Zo nee, waarom niet?
 
8. Hoe gaat het college garanderen dat cultuurmakers in Maastricht in de toekomst wél een structurele plek krijgen, met het oog op de voortdurende verhuizingen van culturele, sociale en maatschappelijke initiatieven als de Foodbank, Stadsnomade, en de Art Space, hetgeen tot grote onrust en discontinuïteit leidt?
 
Hoogachtend, Stephanie Blom Ria Strik Jules Ortjens Martin van Rooij Raadslid SP Raadslid PvdD Raadslid Volt Raadslid M:OED

 

Maastricht, 9 december 2024 
Schriftelijke vragen SP over de toegankelijkheid van schoolgebouwen en sportzalen in het IHP PO en VO.

Geacht college,

Tijdens de domeinvergadering Sociaal op 3 december jl. vroeg de SP aandacht voor het belangrijke thema van toegankelijkheid. Wij brachten dit onder de aandacht vanwege de vele verbouwingen en nieuwbouwprojecten van scholen, sportzalen en sporthallen die binnen het Integraal Huisvestingsplan (IHP) voor het primair en voortgezet onderwijs (PO en VO) gepland staan of al in uitvoering zijn.

Toegankelijkheid betekent veel meer dan het verwijderen van een drempel. Het omvat in grote lijnen drie hoofdaspecten: de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van gebouwen voor mensen met een beperking in de breedste zin van het woord. Bovendien hebben wij ons op dit thema wettelijk gecommitteerd aan het VN-verdrag Handicap. Daarnaast dient onze lokale inclusieagenda te worden gerespecteerd en nageleefd. Evaluaties van beide instrumenten wijzen nog op veel tekortkomingen. Voldoen aan de afspraken is niet vrijblijvend en dit moet anders.

Met de nieuwe IHP-plannen in onze stad is nu het moment om te laten zien hoe het wél kan. Hiermee kunnen wij een voorbeeld zijn voor andere steden en gemeenten. De oppervlakkige antwoorden van de wethouder op de vragen van de SP tijdens de domeinvergadering hebben ons helaas niet overtuigd dat toegankelijkheid met prioriteit en focus zal worden opgepakt. Vrij vertaald zei de wethouder het volgende: de besturen van de scholen vinden het belangrijk en nemen het voortouw, de gemeente kijkt wat mogelijk is en wat kan, en we onderzoeken nog wat toegankelijkheid betekent. Met alle respect: deze uitgangspunten zijn naar onze mening onvoldoende om effectief beleid te maken voor mensen met een beperking.

De SP is van mening dat het college (dat uiteindelijk verantwoordelijk is voor de inzet van gemeenschapsgelden voor de IHP’s) een sturende rol moet spelen en meer, vooral proactief, initiatief moet nemen rond dit thema. Aansturing is cruciaal om ervoor te zorgen dat de gemeente Maastricht de wet naleeft en actief gebruikmaakt van bijvoorbeeld onze eigen Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs uit 2021.

Los van wettelijke aspecten, processen en procedures is het vooral belangrijk om ervaringsdeskundigen te betrekken. Dit bij voorkeur vanaf de planvorming en het ontwerp tot en met de uitvoering en controle op het gebruik. Tot voor kort werd bijvoorbeeld Stichting Samen Onbeperkt betrokken bij diverse bouwprojecten, zoals de verbouwing van het MECC, het Geusseltbad en sporthallen. Er was regelmatig overleg met vertegenwoordigers van deze organisatie. De laatste tijd is dit helaas niet meer het geval.

De SP stelt daarom de volgende vragen:

  1. Gaat de wethouder het thema toegankelijkheid met de nodige prioriteit behandelen in de voorliggende IHP’s? Zo ja, hoe ziet de wethouder dit concreet voor zich? Zo nee, waarom niet?  
  2. Welke concrete stappen onderneemt het college om ervaringsdeskundigen structureel te betrekken bij alle fasen van de bouwprojecten?  
  3. Wordt er bij aanbestedingen expliciet rekening gehouden met toegankelijkheidscriteria? Zo nee, waarom niet?  
  4. Is de wethouder van plan om aanvullend op de geldende bouwbesluiten de wettelijke VN-afspraken na te leven, de Maastrichtse inclusieagenda te volgen, de Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs te raadplegen, het gebruik van het Handboek Toegankelijkheid door relevante actoren te eisen, en inspiratie te zoeken in documenten zoals Design for All? Zo nee, waarom niet?  
  5. Waarom is er bij de bouw van het Kindcentrum Belfort, dat zich al in een vergevorderd stadium bevindt, geen advies of betrokkenheid gevraagd van Stichting Samen Onbeperkt?  
  6. Is de wethouder voornemens alsnog betrokkenheid te initiëren? Dit biedt een kans om inclusie niet alleen op papier, maar ook in de praktijk te realiseren.  
  7. Is het college van plan om een meer eisende en sturende rol te spelen bij andere bouwprojecten in de stad, zoals de woningbouw op het Trega-terrein, vanaf de planvorming en het ontwerp tot en met toetsing door ervaringsdeskundigen? Zo nee, waarom niet?  
  8. Is de wethouder bereid om organisaties zoals Maastricht voor Iedereen, Stichting Samen Onbeperkt en andere relevante partijen actiever te betrekken bij projecten die toegankelijkheid en inclusie bevorderen? Zo ja, op welke wijze dient dit volgens het college vorm te krijgen? Zo nee, waarom niet?  
  9. Kan de wethouder reflecteren op de impact van energiecongestie in het kader van toegankelijkheid? Zijn er plannen om ervoor te zorgen dat gebouwen ook tijdens stroomuitval of -tekorten toegankelijk blijven? Denk hierbij aan schuifdeuren, verwarming en pasjessystemen op zonne-energie.  
  10. Zijn de extra kosten, zoals batterijopslag bij het Kindcentrum Belfort, ook opgenomen in andere projecten?

Hoogachtend,

Jack van Gelooven
Raadslid SP

Maastricht, 5 december 2024
Schriftelijke vragen - Toekenning 11.3 miljoen euro uit het Volkshuisvestingsfonds voor Nazareth, Mariaberg en Pottenberg.

 
Geacht college,
 
Ook de SP is natuurlijk verheugd dat onze stad een bijdrage van 11,3 miljoen euro ontvangt uit het Volkshuisvestingsfonds. Dit fonds, bedoeld om de leefbaarheid en kwaliteit van woningen in kwetsbare buurten te verbeteren, richt zich in Maastricht op de buurten Nazareth, Mariaberg en Pottenberg. Het doel is om achterstallig onderhoud aan particuliere woningen aan te pakken, deze woningen te verduurzamen en zo niet alleen de kwaliteit van leven voor bewoners te verbeteren, maar ook de uitstraling van de wijken als geheel.
 
Ondanks deze positieve ontwikkelingen, zou de SP de SP niet zijn als zij geen kanttekeningen plaatst bij de inzet van publieke middelen voor het verbeteren van particulier woningbezit, en u te vragen om ook stil te staan bij een fundamenteel oneerlijke ontwikkeling: de immense waardestijging van koopwoningen in de afgelopen decennia. Terwijl huiseigenaren hun vermogen zagen groeien door stijgende woningprijzen, hebben huurders vaak nauwelijks geprofiteerd van deze ontwikkeling. Integendeel, zij worden geconfronteerd met stijgende huurprijzen, zonder de kans om vermogen op te bouwen via eigendom.
 
De kloof tussen huurders en huiseigenaren groeit daardoor al jaren, met als gevolg dat huurders structureel op achterstand blijven – en steeds verder op achterstand raken. Het inzetten van publieke middelen voor het verduurzamen van koopwoningen dreigt deze ongelijkheid nog verder te vergroten. Bovendien hebben veel huiseigenaren de mogelijkheid om door het afsluiten van een (kleine) hypotheek hun overwaarde aan te wenden om hun woningen te verduurzamen en op te knappen. Het gebruik van gemeenschapsgeld om hen hierin verder te ondersteunen roept daarom belangrijke vragen op over de rechtvaardige verdeling van gemeenschapsgeld. Als SP stellen wij voorop dat publieke middelen in de eerste plaats moeten worden ingezet om maatschappelijke ongelijkheid te bestrijden en juist de mensen die een flinke zet in de rug kunnen gebruiken te ondersteunen. Ook dit project biedt daartoe kansen, maar het is ook essentieel om kritisch te blijven kijken naar wie hier uiteindelijk het meeste baat bij heeft.
 
Ook moeten we er volgens de SP voor waken dat dergelijke investeringen niet leiden tot verdere verdringing van kwetsbare groepen die dat soort investeringen ook goed zouden kunnen gebruiken, zoals huurders die tussen de wal van de sociale huur en het schip die de koopwoning is vallen, of een stijging van de woningprijzen in deze buurten, waardoor betaalbare huisvesting voor veel mensen nog verder buiten bereik raakt.
 
Het bericht dat Maastricht miljoenen uit het Volkshuisvestingsfonds zal ontvangen, heeft bij onze fractie dan ook tot de volgende vragen geleid.
 
1. Hoe ziet het college de groeiende ongelijkheid tussen huiseigenaren, die profiteren van waardestijgingen, en huurders, die steeds minder betaalbare opties hebben? Hoe past dit project binnen een bredere visie om deze kloof te verkleinen?
 
2. Hoe rechtvaardigt het college in dat licht het gebruik van publieke middelen om het particuliere woningbezit te verduurzamen, terwijl veel huiseigenaren vaak al (relatief) vermogend zijn door waardestijgingen van hun woningen?
 
3. Is onderzocht in hoeverre particuliere eigenaren hun overwaarde kunnen aanspreken via hypotheken om onderhoud en verduurzaming te bekostigen? Zo ja, wat waren de resultaten?
 
4. Welke garanties zijn er dat deze publieke investering niet zal leiden tot verdere stijging van de woningprijzen, waardoor woningen in deze buurten nog minder betaalbaar worden voor starters en huurders?
 
5. Zijn er alternatieve bestedingen van deze middelen overwogen, zoals het uitbreiden van betaalbare sociale huurwoningen of het ondersteunen van juist huurders met verduurzamingsmaatregelen?
 
6. Waar haalt het college het bedrag van de cofinanciering door de gemeente van 4.8 miljoen vandaan, en hoe draagt het college er zorg voor dat deze cofinanciering van 4,8 miljoen niet ten koste gaat van andere essentiële sociale voorzieningen?
 
7. Hoe is het college van plan de woningbezitters die in aanmerking komen voor een bijdrage uit het fonds te selecteren, of komt iedere woningbezitter in de genoemde wijken in aanmerking?
 
8. Moeten de geselecteerde kandidaten ook een deel van de kosten zelf bijdragen, of vergoedt de gemeente de gehele kosten voor de verduurzaming? In het eerste geval, welk percentage van de kosten dienen zij zelf op te brengen?
 
Hoogachtend, Stephanie Blom Raadslid SP
 

Maastricht, 4 december 2024
Schriftelijke vragen SP over de uittreding van de VNG uit het overleg Integraal Zorgakkoord             

Geacht college,

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft recentelijk besloten om zich terug te trekken uit de onderhandelingen over het Integraal Zorgakkoord (IZA). Hoewel de VNG haar steun voor de hervormingen in de zorg blijft uitspreken, heeft zij aangegeven dat voortzetting van de gesprekken afhankelijk is van een structurele oplossing voor de financiële problemen waarmee gemeenten kampen.

Het kabinet heeft aangegeven door te willen gaan met de concretisering van het IZA, maar tijdens een ledenvergadering van de VNG op 30 november jl. sprak bijna 94 procent van de gemeenten zich uit tegen voortzetting van de onderhandelingen onder de huidige omstandigheden.

Gemeenten hebben herhaaldelijk zorgen geuit over de financiële haalbaarheid van het IZA. Hoewel het akkoord eerder werd ondertekend, was dit onder de expliciete voorwaarde dat er structureel meer middelen beschikbaar zouden komen voor preventie en gezondheidsbeleid. Eveneens werd aangedrongen op een oplossing voor het zogenaamde "ravijnjaar" in 2026, waarin gemeenten naar verwachting aanzienlijk minder middelen ontvangen door een nieuw financieringssysteem. Tot op heden zijn deze kwesties onopgelost gebleven. Sterker nog, het kabinet heeft aangekondigd te willen bezuinigen op preventie, wat juist een kernonderdeel is van de afspraken binnen het IZA. Daarnaast heeft de Vereniging van Wethouders een ernstig signaal afgegeven over de toenemende financiële druk op gemeenten.

Deze ontwikkelingen bij de fractie van de SP tot de volgende vragen geleid:

  1. Heeft de gemeente Maastricht zich, net als de VNG, teruggetrokken uit de onderhandelingen over het Integraal Zorgakkoord? Zo nee, welke argumenten ondersteunen deze keuze?
  2. Heeft Maastricht afstemming gezocht met andere gemeenten in (Zuid-)Limburg om tot een gezamenlijk standpunt te komen over het IZA? Of is het besluit autonoom genomen?
  3. Welke scenario’s worden momenteel onderzocht om de zorg en ondersteuning aan cliënten voort te zetten, ondanks de onzekerheden rondom het IZA?
  4. Heeft Maastricht aanvullende financiële middelen bij het Rijk aangevraagd om de beoogde zorghervormingen uit te voeren?
  5. In hoeverre heeft het ravijnjaar in 2026, ondanks eerdere geruststellende uitlatingen, invloed op de financiële positie van de gemeente Maastricht? Is herziening van beleidsprioriteiten noodzakelijk?
  6. Ziet de gemeente zich genoodzaakt om bezuinigingen door te voeren, mogelijk ten koste van cliënten, medewerkers en andere belanghebbenden?
  7. Bestaat het risico dat lopende zorgprojecten in Maastricht vertraging oplopen of geheel stil komen te liggen door de huidige situatie?
  8. Overweegt het college om de benodigde financiering voor de zorghervormingen uit de eigen reserves te halen? Zo nee, welke alternatieve oplossingen worden overwogen?
  9. Hoe beoordeelt het college de recente waarschuwingen van de landelijke vereniging van wethouders inzake de financiële situatie van gemeenten? Welke maatregelen overweegt Maastricht om deze uitdagingen aan te pakken?
  10. Gezien het feit dat de reikwijdte van het IZA verder gaat dan 2026, hoe wil de gemeente Maastricht haar langetermijnbeleid aanpassen om toekomstige uitdagingen in de zorgsector te ondervangen?
  11. Wat is de reactie van Maastricht op de bezuinigingen op preventie? Hoe beïnvloedt dit de mogelijkheid om aan de gestelde eisen en doelstellingen te voldoen, en wat betekent dit voor de oplopende zorgkosten?
  12. Welke stappen onderneemt de gemeente Maastricht om lokaal en regionaal de noodzakelijke financiering voor het IZA en de zorghervormingen te verkrijgen?

Maastricht 29 november  Schriftelijke vragen SP over de situatie bij Pactum en de recente reactie van FNV Jeugd.

Geacht college,

Op 19 november jl. heeft de Maastrichtse raad via een Raadsinformatiebrief (RIB) een update ontvangen over verschillende casussen binnen de jeugdzorg. Deze brief gaf een overzicht van de ontwikkelingen bij organisaties zoals XONAR, VIA Jeugd, de Mutsaersstichting en Pactum. Als SP hebben wij herhaaldelijk aandacht gevraagd voor de rol en positie van 'de mens' in deze casussen. Helaas valt op dat wij als raadsleden vooral worden geïnformeerd over procedures, processen, financiële cijfers, KPI’s en toekomstplannen. Dit lijkt te wijzen op een aanpak die wij als 'spreadsheetmanagement' zouden omschrijven: top-down veranderingen vanuit een financiële invalshoek.

Hoewel deze informatie belangrijk is, vinden wij het eenzijdig en weinig oog hebben voor de impact op mensen: werknemers, ouders en cliënten. Wij zien dit niet terug in de rapportages. Hoe wordt hier rekening mee gehouden? Wordt de menselijke kant net zo professioneel en proactief aangepakt als de financiële kant? Dat lijkt ons essentieel in een sector die zoveel impact heeft op kwetsbare groepen. Hoe zorgen we ervoor dat personeel behouden blijft, gemotiveerd blijft en dat cliënten en ouders krijgen waar ze recht op hebben? Het kan niet zo zijn dat financiële en managementfouten, karige aanbestedingen en het falen van marktwerking vooral ten koste gaan van de mensen die hier direct door worden geraakt.
Een specifiek voorbeeld dat ons zorgen baart, is de huidige situatie bij Pactum.

In de RIB van 19 november jl. wordt deze situatie in slechts drie regels afgedaan. De bijgevoegde stukken bieden geen nieuwe inzichten en missen aandacht voor de sociale en menselijke aspecten, ondanks dat bekend is dat er bij Pactum al langer grote problemen zijn, los van de reorganisaties. FNV Jeugdzorg heeft al vaak gewaarschuwd voor de onhoudbare en gevaarlijke werksituaties bij Pactum. Dit heeft grote impact op personeel, cliënten en ouders, en de situatie lijkt alleen maar te verslechteren door de huidige financiële problemen bij de organisatie. De brief van de FNV van 15 november jl. maakt duidelijk dat er bij Pactum (Stichting VIGO) veel meer aan de hand is dan wat het college aan ons rapporteert. Als raad hebben wij een verantwoordelijkheid om hier goed van op de hoogte te zijn.

Het is onacceptabel dat wij essentiële informatie via de media of de FNV moeten vernemen in plaats van via ons college. De FNV heeft Pactum een ultimatum gesteld met als deadline 25 november. Hoewel acties voorlopig zijn uitgesteld, blijft de situatie ernstig. De raad moet hier wat de SP betreft volledig over worden geïnformeerd. Alle betrokken organisaties spelen een cruciale rol in de jeugdzorg en de uitvoering van onze wettelijke taken. Dit betekent dat er op veel vlakken verbeteringen nodig zijn. Wat de SP betreft, moet daarbij de nadruk liggen op de mensen: de kwetsbare jeugd, ouders, werknemers en anderen die bijdragen aan de gezondheid en het welzijn van onze jongeren.  Deze (opnieuw) zorgelijke gang van zaken heeft bij de SP de volgende vragen doen rijzen:

1. Waarom bevat de RIB van 19 november jl. slechts drie regels over de situatie bij Pactum, terwijl er bekend is dat er sprake is van ernstige problemen op de werkvloer en in de zorgverlening?

2. Hoe beoordeelt het college de kritiek van de FNV Jeugdzorg op de werksituatie bij Pactum, en waarom is hierover geen uitgebreide toelichting aan de raad gegeven?

3. Hoe waarborgt het college dat de menselijke impact van reorganisaties, zoals de gevolgen voor werknemers, ouders en cliënten, structureel wordt meegenomen in beleidsbesluiten en rapportages?

4. Worden medewerkers en cliënten actief betrokken bij de verbetertrajecten? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
5. Welke verantwoordelijkheid ziet het college voor zichzelf bij het waarborgen van goede arbeidsomstandigheden en zorgverlening binnen jeugdzorgorganisaties zoals Pactum? 

6. Hoe ziet het college haar rol in het voorkomen dat financiële problemen van organisaties leiden tot verslechterde zorg en onhoudbare werkdruk voor personeel?

7. Hoe wil het college in de toekomst voorkomen dat de raad belangrijke informatie over situaties zoals bij Pactum moet vernemen via de media of vakbonden in plaats van via de officiële informatievoorziening?

8. Is het college bereid om een volledige en actuele stand van zaken te geven over alle jeugdzorgorganisaties die momenteel onder de loep liggen, inclusief sociale en menselijke aspecten? Zo ja, wanneer mag de raad daarvan een verslag ontvangen?

9. Op welke manier weegt het college de financiële en managementaspecten af tegen de sociale en menselijke impact binnen de jeugdzorg? 

10. Hoe zorgt het college ervoor dat problemen, zoals slechte aanbestedingen of falende marktwerking, niet ten koste gaan van de meest kwetsbaren in onze samenleving?

11. Wat is het actieplan van het college om ervoor te zorgen dat jeugdzorgorganisaties, zoals Pactum, structureel verbeteren, zowel op financieel gebied als op het gebied van werkomstandigheden en zorgkwaliteit?

12. Is het college bereid om hierover in overleg te treden met vakbonden zoals de FNV en daarbij de raad actief te betrekken?
13. Wat is de stand van zaken rond het ultimatum dat door de FNV aan Pactum is gesteld, en welke stappen heeft het college in de tussentijd gezet om te voorkomen dat acties nodig zijn en de situatie escaleert?

14. Hoe gaat het college ervoor zorgen dat de problemen bij Pactum geen verdere negatieve gevolgen hebben voor cliënten en werknemers?
Laatstelijk willen wij u nogmaals met klem verzoeken om meer aandacht te besteden aan de sociale en menselijke aspecten van deze problematiek en de raad hierover tijdig en volledig te informeren.

Maastricht 28 november 2024
Schriftelijke vragen SP over mantelzorg en faciliterende woonconcepten.   

Geacht college,

De SP heeft de afgelopen maanden meerdere keren vragen gesteld over het thema mantelzorg. We vroegen onder andere aandacht voor de bijzondere en kwetsbare positie van jonge mantelzorgers en om uitleg over de mogelijke juridische implicaties van het uitvoeren van (medische) mantelzorg. Recent heeft het college de raad het uitvoeringsplan mantelzorgondersteuning toegezonden. Dit plan werd ook uitgebreid besproken tijdens de domeinvergadering Sociaal van 5 november jongstleden. Het thema mantelzorg leeft – en terecht.

De SP maakt zich grote zorgen over de toekomst van de zorg in het algemeen en over de rol van mantelzorgers en vrijwilligers in het bijzonder. Het is essentieel om mantelzorgers voldoende te ondersteunen, zeker in een samenleving die steeds meer op hen leunt. Als gemeente is het cruciaal om faciliterende maatregelen concreet uit te werken en deze stevig te verankeren in het lokale beleid. Daarnaast moet informatie helder worden gecommuniceerd en moet de toegang tot gemeentelijke diensten eenvoudig zijn.

Vooruitlopend op de bespreking van de lokale uitvoeringsagenda mantelzorgondersteuning willen wij als SP een aanvullend punt inbrengen dat mogelijk kan bijdragen aan de huidige plannen en meegenomen kan worden in de besprekingen. 

De complexe woonzorgpuzzel in een vergrijzende samenleving 
Een van de grote uitdagingen is het realiseren van woon-mantelzorgoplossingen, zoals kangoeroewoningen. Een veelbelovende mogelijkheid is bijvoorbeeld dat een ouder met een zorgbehoefte gaat inwonen bij een van de kinderen. Dit biedt een oplossing voor zowel de woonproblematiek als de toenemende zorgvraag. In zuidelijke landen is dit zogenaamde intergenerationeel wonen een gebruikelijke praktijk.

In Nederland blijkt echter dat het vergunningstraject voor benodigde verbouwingen vaak langdurig en complex is. Het splitsen van een woning tot een pré-mantelzorgwoning lijkt in veel gevallen vrijwel onmogelijk. Het vooruitplannen op toekomstige mantelzorgstelsels wordt vaak belemmerd door regelgeving en bezwaren vanuit gemeenten. Zo mag een klein huisje in de tuin soms wel, maar het splitsen van een woning of een aanbouw weer niet. Veel gemeenten hebben zelfs geen beleid op dit gebied, waardoor mensen met de beste bedoelingen van het kastje naar de muur worden gestuurd.

In 2040 zal Nederland ongeveer 2,6 miljoen 75-plussers tellen. Deze mensen hebben zowel (mantel)zorg als passende woonruimte nodig. Momenteel is het gebrek aan woonoplossingen een van de belangrijkste redenen waarom mensen contact opnemen met MantelzorgNL. Hopelijk is de gemeente Maastricht bereid om in deze context niet terughoudend te zijn en om actief mee te denken aan oplossingen die toekomstige problemen voorkomen. Het is van belang dat de gemeente niet pas in actie komt wanneer de situatie urgent of al te laat is.

Wij hopen dat Maastricht niet enkel vertrouwt op de (onzekere) realisatie van grote aantallen ouderenwoningen of zorgbuurthuizen, maar ook andere woonvormen voor mantelzorgers faciliteert. Een en ander heeft bij de fractie van de SP tot de volgende vragen geleid:

  1. Kan het college reflecteren op hetgeen in het voorgaande uiteengezet is en aangeven in hoeverre de gemeente Maastricht op dit moment inspeelt op deze problematiek?
  2. Heeft de gemeente Maastricht al beleid ontwikkeld op het gebied van woon-mantelzorgoplossingen?
  3. Zijn er binnen de gemeente Maastricht al casussen bekend waarin pré-mantelzorgwoningen zijn gerealiseerd?  
  4. Zijn er momenteel aanvragen in behandeling voor pré-mantelzorgwoningen?  
  5. Kunnen inwoners van Maastricht bij de gemeente terecht voor informatie en advies over dit thema? Zo ja, waar?  
  6. Is het college bereid om in het kader van mantelzorgondersteuning snel in te spelen op de veranderende woon-zorgsituatie? Zo ja, op welke wijze voorziet u dat te doen of doet u dat al?  
  7. Wil de gemeente een visie ontwikkelen waarin, naast de realisatie van nieuwbouw voor ouderen en zorgwoningen, ook alternatieve woonvormen voor mantelzorgers worden gefaciliteerd?

Wij zien de beantwoording van deze vragen met belangstelling tegemoet. Alvast bedankt voor uw inspanningen.

Hoogachtend,
Jack van Gelooven

Maastricht, 27 november 2024 
Schriftelijke vragen SP over het Maastricht Convention Bureau (MCB).  

Geacht college,

In recente stukken lezen wij dat naast de reguliere financiering aan het MCB (Maastricht Convention Bureau) ook een extra bedrag van €350.000 is toegekend aan deze organisatie. Dit bedrag lijkt een extra stimulans te zijn, mogelijk als beloning voor behaalde goede resultaten, maar het zou ook kunnen, dat dit extra budget bedoeld is voor aanvullende inspanningen. Bijvoorbeeld om meer of betere verkoopactiviteiten te realiseren, dit vanwege het feit dat gestelde doelen niet of slechts gedeeltelijk werden gehaald. En hoe dit precies zit, willen wij als SP graag verduidelijkt zien.

Daarom hebben wij de volgende vragen:

  1. Welke doelen of targets heeft het MCB zichzelf gesteld, of welke doelen worden als voorwaarde voor subsidie door de gemeente aan het MCB opgelegd?  
  2. Aangezien het aantrekken van congressen een langdurig proces is, verzoeken wij het MCB om:
    • Een overzicht te geven van de behaalde resultaten over de afgelopen vijf jaar.
    • Een vooruitblik te bieden op de plannen en verwachtingen voor de komende vijf jaar. Kunt u deze overzichten uitsplitsen naar zowel kwalitatieve (locatie, aantal, omvang, bezoekers, aard van congressen en bijeenkomsten) en financiële resultaten. 
    • Wat leveren de inspanningen van het MCB direct en indirect op voor de stad Maastricht?
    • Wij verzoeken een overzicht van de afgelopen vijf jaar van zowel kleine als grote congressen en bijeenkomsten waarbij het MCB een aantoonbare en doorslaggevende rol heeft gespeeld in acquisitie, aftersales en accountmanagement.  
  3. Werft het MCB uitsluitend voor het MECC?
    • Zo nee, kunt u een lijst geven van andere organisaties waarvoor het MCB de afgelopen jaren aantoonbaar succesvol is geweest?
    • Wat zit er momenteel in de sales funnel van het MCB? 
    • Wanneer het MECC via de pers zelf melding maakt van het verwerven van opdrachten, zoals congressen, is het MCB hier dan (altijd ) bij betrokken? Of, anders gesteld: aan wie wordt het binnenhalen dergelijke opdrachten toegeschreven?

Maastricht 27 november 2024
Herstructurering re-integratieketen

We kregen onlangs een SAVE THE DATE voor een excursie op 12 februari 2025 in het kader van de participatiewet en de herstructurering van de re-integratieketen. De verschillende betrokken gemeenten zijn een visie-document aan het maken. Deze visie krijgen we als raden van de diverse gemeenten, in de loop van januari 2025 in te zien en zal dan tijdens de excursie op 12 februari toegelicht en besproken worden.

Als SP hebben we een paar vragen:

  1. Los van de geformuleerde visie, is de grote beweging er eentje van bezuinigingen en kunt u aangeven wat dat voor de gemeente Maastricht zal gaan betekenen?
  2. Wordt deze visie door de betreffende gemeenten c.q. wethouders zelf samengesteld met ambtelijke ondersteuning uiteraard? Of is er een extern bureau bij betrokken? Zo ja, welk bureau is dat en wat zijn daarvan de kosten?
  3. Hoe verhoudt dit proces van herstructurering zich tot de business case die op dit moment tot stand komt met betrekking tot onze Maastrichtse Toeleverings Bedrijven (MTB)? En kunt u de wederzijdse afhankelijkheid en impact toelichten?
  4. Kunnen wij de opdracht die door het ministerie SZW m.b.t. het bovengenoemde kader aan gemeenten gegeven is, van het college ontvangen en inzien?
  5. Welke andere belangrijke stakeholders dan gemeenteraden, worden bij de ontwikkeling van de visie betrokken?
  6. We nemen aan dat tenminste vertegenwoordigers van sociale werkplaatsen worden betrokken en re-integratie organisaties?
  7. En dat dit ook geldt voor werknemers, ondernemingsraden en vakbonden? Zo nee, waarom niet?
  8. We nemen aan dat zowel de cliëntenraad participatiewet als ook de onafhankelijke adviesraad Maastricht-Heuvelland in een vroeg stadium en integraal bij de totstandkoming van de visie worden betrokken?
  9. En dat deze adviesraden en andere belangrijke organisaties naar we aannemen, ook uitgenodigd worden voor de excursie op 12 februari 2025? Zo nee, waarom niet?

Hoogachtend,
Jack van Gelooven         

 

Maastricht, 27 november 2024
Ook crisis bij GGD Zuid-Limburg?

“GGD Limburg Noord kan werk nauwelijks meer aan door nijpend tekort aan personeel, dringend extra geld gemeenten nodig”.

Geacht college,

Wij lazen recentelijke in de media (waaronder de Limburger) verontrustende berichten met betrekking tot GGD Limburg Noord. De GGD is onvoldoende in staat zijn wettelijke taken uit te voeren. Om de GGD te redden dienen de desbetreffende 15 gemeenten in midden- en Noord-Limburg, miljoenen te gaan bijbetalen.

Tekort aan personeel en hoge werkdruk
De gezondheidsdienst kampt door gemeentelijke bezuinigingen in de afgelopen jaren met een nijpend tekort aan personeel. Daardoor is er een zeer hoge werkdruk ontstaan. Dat heeft weer een hoog en toenemend ziekteverzuim tot gevolg. De hoge werkdruk leidt er tevens toe dat werknemers bijna geen vrij kunnen nemen en er een stuwmeer aan verlofuren is opgebouwd. Bovendien kampt de GGD met een groot personeelsverloop. In 2023 verliet een op de vijf medewerkers de organisatie.

Piept en kraakt
Het gevolg is dat de gezondheidsdienst het ene gat met het andere moet vullen en aan nieuwe taken helemaal niet toekomt. ‘De omvang van de GGD is zo knellend dat het in de uitvoering van de wettelijke taken piept en kraakt’,

Herstelplan Het management heeft op verzoek van de wethouders een herstelplan in de maak om de GGD weer op sterkte te brengen, waardoor hij zijn taken weer naar behoren uit kan voeren. Er zouden daarvoor ruim veertig man extra personeel aangenomen moeten worden, becijferde de GGD. Om dat te kunnen betalen vraagt de GGD van de gemeenten vanaf 2026 een extra bijdrage van jaarlijks 4,5 miljoen euro. Volgend jaar zou er 2,3 miljoen euro van de gemeenten bij moeten. Het overige benodigde bedrag voor het herstelplan wil het management uit de eigen reserves betalen en via ‘overige financiering’.

Bij de SP is naar aanleiding van het bovenstaande de logische vraag gerezen, hoe gaat het met de GGD in Zuid-Limburg:

  1. Hoe is het gesteld met de GGD in Zuid-Limburg? Spelen daar gelijkaardige problemen als in Midden- en Noord? Indien ja, hoe worden deze op dit moment aangepakt?
  1. Is er in Zuid ook sprake geweest van bezuinigingen die verkeerd uitpakken? Kunt u dat voor ons duiden en verklaren?
  1. Is er in Zuid ook sprake van een crisis en wordt er gewerkt aan een herstelplan of anderszins aan oplossen van dringende problemen?
  1. Zijn er hier dezelfde soort nijpende problemen te zien wat betreft personeelstekorten en werkdruk? Is er in Zuid ook sprake van groter dan normaal ziekteverzuim en definitieve uitstroom van personeel?
  2. Moet er in Zuid ook personeel bij en hoeveel dan?
  3. Is het ook voor de GGD Zuid niet meer mogelijke om de wettelijke taken uit te blijven voeren? Wat zijn daarvan de consequenties?
  1. Wanneer er bij GGD Zuid op dit moment nog geen dringende problemen voorliggen, wat wordt er dan proactief gedaan om die in de toekomst ook te voorkomen?
  1. Wordt er voor de GGD Zuid ook gevraagd om meer financiën in de komende jaren en kunt u ons aangeven over wat voor bedragen het in Zuid zal gaan?

Hoogachtend,
Jack van Gelooven         

 

Maastricht, 5 november 2024
Inkomensdaling en problemen voor mensen met een Wajong uitkering

Geacht College,

De Nationale ombudsman heeft vorig jaar de Tweede Kamer verzocht bij het kabinet aan te dringen op een snelle en structurele oplossing voor de inkomensdaling van burgers met een Wajong-uitkering.

Sinds 2023 komen sommige Wajonggerechtigden niet meer in aanmerking voor kwijtschelding van de lokale belastingen of langdurigheidstoeslag. Het is een onbedoeld effect van wijzigingen in wet- en regelgeving. Met grote gevolgen voor deze burgers: ze hebben in één keer honderden euro's per jaar minder te besteden. Mensen komen terecht onder bijstandsniveau en schulden liggen snel op de loer.

Ondanks mogelijke kwijtschelding wordt van deze mensen verwacht dat ze ‘vooruit’ betalen. Ze kunnen daarna weliswaar bezwaar indienen, maar ook dat proces verloopt niet gemakkelijk en mensen komen in de knel te zitten. Als mensen de weg niet goed kennen of geen adequate hulp daarbij krijgen en duidelijke informatie vanuit gemeentes,  kunnen er veel problemen ontstaan.

Het probleem wordt veroorzaakt door een combinatie van wijzigingen in het wettelijk minimumloon en de bijstandsnorm. Wajonggerechtigden hebben daardoor een hoger inkomen. Zij komen nu niet meer in aanmerking voor (geautomatiseerde) kwijtschelding van lokale belastingen. Het probleem speelt vermoedelijk breder, ook sommige burgers met een WIA- en een WAO-uitkering kunnen hierdoor geraakt zijn.

Dit onbedoelde effect is echt onwenselijk. Het gaat om burgers die op of rond het sociaal minimum leven en daarom in een kwetsbare positie zitten. We weten al een hele tijd dat het sociaal minimum niet toereikend is en nu heeft deze groep geen ruimte om financiële buffers op te bouwen. De impact is groot, het zorgt voor financiële onzekerheid en stress. Dit is alweer een voorbeeld van kwetsbare burgers die de dupe worden van onbedoelde effecten van wijzigingen in wet- en regelgeving. Het kabinet moet met een oplossing komen. Hoe gaan we mensen concreet helpen?

Een uiteindelijke oplossing zou gepland zijn voor 2025, maar wat doen nu anno 2024 dan voor die gedupeerde mensen?

Hoe is het gesteld met het aanpakken van dit probleem in onze stad Maastricht?

  1. Is de gemeente bekend met deze problematiek en wordt erover gecommuniceerd met betrokken inwoners? 
  2. Kent de gemeente het advies/verzoek van de VNG met betrekking tot deze problematiek? Wordt dit ook opgevolgd?  
  3. Hoe gaat de gemeente vandaag te dag om met dergelijke casussen?  
  4. Worden mensen die het betreft, en die een aanvraag tot kwijtschelding kunnen doen, hierover door de gemeente proactief geïnformeerd? Zo ja hoe dan? Zo nee, waarom niet?  
  5. Waarom is de inkomensgrens voor de kwijtschelding naar beneden bijgesteld van 120 naar 100 procent van de bijstandsnorm? Dit in het licht van het feit dat alles duurder wordt?  
  6. Zijn inwoners die het betreft hierover ook geïnformeerd?  Zo ja hoe dan? Zo nee, waarom niet?  
  7. Waarom liggen de vermogensgrenzen voor kwijtschelding gemeentelijke belastingen in Maastricht lager dan in andere (Limburgse gemeenten?
  1. Wat kan de gemeente zelf doen aan deze onbedoelde frictie tussen systeemwereld en leefwereld? Zo ja, wat dan?  Zo nee, waarom niet? 
  2. Het gebeurt wel vaker dat UWV-regelgeving en gemeentelijke regelgeving elkaar bijt. Hoe gaat de gemeente om met casussen waarbij dit het geval is?
  3. Worden betrokken mensen in Maastricht financieel geholpen of gecompenseerd, mochten ze door de boven beschreven problematiek in de problemen komen?  

Hoogachtend
Jack van Gelooven

 

Maastricht, 28 oktober 2024
Schriftelijke vragen SP over compensatie voor overheidsfouten bestaansminimum.

Geacht college,
In 2023 werd er melding gemaakt van een overheidsfout die duizenden gezinnen in het land getroffen heeft. Door deze fout zijn mensen qua inkomen onder het bestaansminimum terechtgekomen. Gemeenten kunnen actie ondernemen. Echter werd er al snel geconcludeerd dat
veel gemeenten deze mensen niet actief opsporen om ze te informeren en de zaak op te lossen c.q. te zorgen voor compensatie. Ook de geboden hulp van de Belastingdienst grijpen lang niet alle gemeenten aan. De compensatie van die gezinnen die in armoede leven door een overheidsfout, verloopt dus uiterst stroef. Gemeenten vinden het ingewikkeld en tijdrovend. De landelijke overheid kan gemeenten helpen
door lokale lijsten ter beschikking te stellen van mogelijke gedupeerden, maar lang niet alle gemeenten gaan op dat aanbod in en vragen de lijsten van potentiële slachtoffers aan. De fout betreft ongeveer 6.400 huishoudens. Zij leven onder het bestaansminimum doordat de regels rond
uitkeringen, toeslagen en belastingen elkaar onbedoeld in de weg zitten.
Het probleem is al sinds 2016 bekend en maakte de ombudsman er melding van, maar pas begin vorig jaar kondigde het kabinet aan actie te ondernemen, na een artikel in NRC en Kamervragen.
Het probleem ontstaat bij ‘eenverdieners’: stellen van wie één partner eigen inkomen heeft. In dit geval is dat vaak een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UWV. Die uitkering is netto hoog genoeg, maar de gedupeerden krijgen minder toeslagen dan de bedoeling is. Hun bruto-inkomen
wordt als gevolg van zeer specifieke belastingregels namelijk veel te hoog, waardoor zij toeslagen moeten terugbetalen. De meeste gedupeerden komen hierdoor honderden euro’s per jaar onder het minimum, sommige meer dan 1.000 euro. Dus toenemende kans op armoede en schulden.

Een definitieve oplossing komt op zijn vroegst in 2028. Dan hoopt de belastingdienst automatisch het juiste toeslagenbedrag te kunnen uitkeren aan de gedupeerden. Tot die tijd moeten gemeenten deze gezinnen opsporen en, ieder jaar opnieuw, hun inkomensgat repareren. De meeste gemeenten zijn daar nog niet of nauwelijks mee begonnen. Wat is de status in onze stad?

Problematische schulden
Ook voormalig minister Carola Schouten (Armoedebeleid, ChristenUnie) riep gemeenten op de lijst alsnog aan te vragen. „Het gaat om mensen die onder het sociaal minimum leven doordat ónze regelingen tegen elkaar inwerken”, zegt ze. „Ze krijgen niet waar ze recht op hebben: dat is al reden
genoeg om hen te willen helpen.” Door hun lage inkomen is de kans ook groot dat zij in de schulden komen. „Dus los van het morele punt”, zei Schouten, is het voor gemeenten ook praktischer om gedupeerden zo snel mogelijk te helpen. „Uiteindelijk komen ze toch een keer aan je balie en dan kunnen de problemen groter zijn.” 

Vanaf 2025 jaar moest de jaarlijkse compensatie makkelijker worden voor gemeenten. Een nieuwe wet zou hen dan de mogelijkheid geven om alle gedupeerden hetzelfde, hoge compensatiebedrag te geven, ongeacht hun werkelijke schade. Dat scheelt ambtenaren veel werk: nu moeten zij voor ieder slachtoffer een complexe berekening maken. Maar er waren tegenvallers. De lijsten van de Belastingdienst zijn minder bruikbaar dan gehoopt. Dat komt doordat ze gebaseerd zijn op voorlopige inkomensgegevens van een vorig jaar.

Dat zou niet erg zijn als de groep gedupeerden jarenlang dezelfde blijft. Maar dat is niet zo, blijkt uit nieuwe analyses. In twee jaar tijd is ongeveer een derde tot de helft van de groep vernieuwd. Meer moeite doen Dat is slecht nieuws voor gemeenten. Als zij álle slachtoffers willen helpen, hebben ze niet genoeg aan de lijst. De rest zullen zij moeten opsporen. Makkelijk is dat niet want de doelgroep heeft meestal geen idee dat ze in deze situatie zitten en recht hebben op meer.” Het gebeurt daarom vrijwel nooit dat gedupeerden zichzelf komen melden. Gemeenten zouden een communicatie-actie kunnen opzetten. „Maar ook dan is de vraag of mensen zich aangesproken voelen.”

Gemeenten kunnen ook maatschappelijke organisaties vragen om alert te zijn op dit probleem. Dat is nuttig, maar de kwestie is zó ingewikkeld: „Je kunt niet van alle maatschappelijk werkers, en zeker niet van vrijwilligers, verwachten dat zij dat helemaal begrijpen en herkennen als ze het
tegenkomen.” Tot de definitieve oplossing in 2028 zal het moeilijk blijven om alle slachtoffers te compenseren.

Wij komen vervolgens tot de volgende vragen:
1. Heeft het college kennisgenomen van het bovenstaande beschreven probleem, de fout in het systeem waardoor inwoners onterecht gekort worden op regelingen? Zo ja, wat werd er in de tussentijd gedaan om het op te lossen voor mogelijke slachtoffers in onze stad? Zo nee, waarom niet? Gaat u dan alsnog en zo spoedig mogelijk actie ondernemen om het probleem in kaart en brengen? 

2. Zijn er in Maastricht gedupeerden van de overheidsfout en hoeveel mensen hebben we dan in beeld?

3. Is het college het met de SP eens dat deze mensen zo snel als mogelijk gecompenseerd en geholpen dienen te worden als dat nog niet gebeurd is in de tussentijd?

4. Denkt u dat er nog meer mensen in de problemen zijn gekomen die niet op de radar staan? Kunt u een inschatting maken van het aantal en hoe denkt u deze groep alsnog te bereiken?

5. Heeft u contact gelegd met potentiële gedupeerden om e.e.a. te adresseren en mogelijk op te lossen? Heeft u actief geprobeerd gedupeerde mensen op te sporen en te helpen?

6. Heeft het college gebruik gemaakt van de aangeboden hulp van het rijk en de belastingdienst, zo ja heeft dat geleid tot opsporing van slachtoffers en werden die adequaat geholpen in de tussentijd?

7. Heeft het college er alles aan gedaan om mensen via communicatie, pers en persoonlijke berichten en partners in het veld, op de hoogte te stellen van een mogelijke overheidsfout die hersteld zou kunnen worden? Kan het college ons aangeven wat er precies op het gebied van communicatie heeft plaatsgevonden? Wat was het concrete resultaat? 

8. Heeft het college contact met andere relevante organisaties die een oplossende of signalerende rol zouden kunnen spelen in dit dossier? 

9. Op welke wijze is het college van plan deze inwoners te compenseren? 

10. Hoe gaat het college om met eventueel ontstane schulden door de fout die is gemaakt door de overheid?

Jack van Gelooven
Fractievoorzitter SP

Maastricht, 22 november 2024
Schriftelijke vragen SP-werving nieuw personeel (studenten) voor gemeente Maastricht

Geacht college,

Geïnspireerd door een artikel uit de Limburger over studenten uit onze regio die na hun studie hier potentieel aan het werk zouden kunnen gaan en constaterende dat de gemeente Maastricht kampt met personeelstekorten, structureel aanzienlijke bedragen besteedt aan externe inhuur en studenten meer wil binden aan de stad, zijn er bij de SP-fractie de volgende vragen gerezen:

  1. Wat doet de gemeente Maastricht op dit moment in proactieve zin om studenten en afstudeerders te werven voor de gemeentelijke organisatie?
  2. Werkt de gemeente Maastricht samen met het Vista College, Zuyd Hogeschool en de Universiteit van Maastricht om personeel c.q. talent te interesseren en te werven?
  3. Is er afstemming met deze instituten over potentiële banen binnen de gemeente en wordt er voorlichting gegeven aan studenten over mogelijkheden, carrièrekansen en eventuele vacante functies binnen de gemeentelijke organisatie?
  4. Zijn er bijvoorbeeld open dagen, meeloop dagen en/of op regionale studenten gerichte vacaturesite(s)?
  5. In hoeverre biedt de gemeente Maastricht stageplekken en eventuele traineeships aan?
  6. Hoeveel stage- en traineeshipplekken worden er ter beschikking gesteld en is er iets te zeggen over het aantal studenten dat daarna in dienst gaat met een al dan niet tijdelijk contract?
  7. Is er een vergoeding/compensatie voor stagairs en/of trainees om stageplekken en traineeships extra aantrekkelijk te maken?

Hoogachtend,

Jack van Gelooven                  Fractievoorzitter SP

Youri van Mullem                   Burgerraadslid SP

Maastricht, 21 november 2024
Schriftelijke vragen SP n.a.v. de ingezonden brief van Milieudefensie Maastricht

Geacht college,

Milieudefensie stuurde recentelijk, namelijk op 30 oktober jl. een zeer uitgebreid en kritisch stuk aan het college en de raad van Maastricht. En dat was in het kader van onze lokale milieuproblematiek, ook niet de eerste keer. Naar wij weten is daarop tot heden geen reactie geweest, of zelfs maar een bevestiging van ontvangst, door het college. Gezien het grote belang van het onderwerp voor welbevinden en gezondheid van onze inwoners, willen wij als SP Fractie daarover een aantal vragen stellen.

  1. Klopt het dat het college niet gereageerd heeft op zowel de eerste brief van Milieudefensie van 13 mei als op de tweede brief op 30 oktober dit jaar?
    1. Zo ja, kan het college toelichten waarom zij tot op heden niet gereageerd heeft op het bericht van Milieudefensie Maastricht?
  2. Deelt het college de opvatting van de SP-fractie dat, ondanks eventuele verschillen van mening en inzichten, het kwalijk is om niet te reageren op belangrijke maatschappelijke organisaties op het moment dat zij zich met hun inhoudelijke expertise mengen in het publiek debat?
  3. Is het college alsnog bereid om te reageren op Milieudefensie Maastricht? En hoe bent u van plan dit te doen?

Milieudefensie Maastricht stelt in haar ingezonden stuk dat het besluit van de Gemeente Maastricht om bij nieuwbouw adviesvoorden voor fijnstof te negeren, haaks staat op een onlangs aangenomen Europese Richtlijn over luchtkwaliteitsnormen en haaks op adviezen van GGD.

  1. Heeft de gemeente Maastricht reeds kennisgenomen van deze nieuwe richtlijn?
  2. Kan het college reflecteren op de claim van Milieudefensie Maastricht dat het Maastrichtse beleid haaks staat op deze richtlijn?
  3. Kan het college reflecteren op het feit dat Milieudefensie Maastricht het door de gemeente Maastricht gevoerde beleid onder de aandacht heeft gebracht bij de voorzitter (tevens staatssecretaris openbaar vervoer en milieu) van de stuurgroep van het Schone Lucht Akkoord in de vorm van een melding van geschil met betrekking tot het tekortschietende beleid van de gemeente Maastricht aangaande huisvesting en bescherming van hoog gevoelige groepen in onze stad?

Hoogachtend,

Jack van Gelooven          Fractievoorzitter SP

Sem Bonte                          Burgerlid SP

Maastricht, 19 november 2024
Schriftelijke vragen SP over het WMO-toezichtbeleid

Geacht college,

Naar aanleiding van diverse publicaties over het hier voorliggende thema heeft de SP de volgende vragen:

  1. Hanteert de gemeente Maastricht een WMO-toezichtbeleid en dat openbaar? M.a.w. kunnen we dit ergens inzien?
  2. Functioneren de WMO-toezichthouders in Maastricht onafhankelijk m.a.w. is er geen sprake van zogenaamde functieverstrengeling en is dat formeel vastgelegd? Zo nee, waarom niet?
  3. Hoeveel rapporten zijn er de afgelopen 3 jaren gemaakt door de toezichthouders van de gemeente Maastricht? Zijn de rapporten in te zien?
  4. Kan het college aangeven wat de meest voorkomende vragen zijn geweest in dit kader en/of de meest urgente problemen die werden gemeld en geconstateerd naar aanleiding van toezicht?
  5. Heeft de gemeente Maastricht in het kader van het toezichtbeleid, mee gewerkt aan het landelijk onderzoek en rapportages hieromtrent van de inspectie gezondheidszorg (IGJ) in 2023? Zo nee, waarom niet?
  6. Welke resultaten van dit onderzoek blijken relevant te zijn voor de Maastrichtse situatie? En wat doet het college eraan om dit op te volgen?

Hoogachtend, 

Jack van Gelooven                  Youri van Mullem
fractievoorzitter SP                Burgerraadslid SP      

Maastricht, 21 november 2024
Schriftelijke vragen SP n.a.v. de ingezonden brief van Milieudefensie Maastricht

Geacht college,

Milieudefensie stuurde recentelijk, namelijk op 30 oktober jl. een zeer uitgebreid en kritisch stuk aan het college en de raad van Maastricht. En dat was in het kader van onze lokale milieuproblematiek, ook niet de eerste keer. Naar wij weten is daarop tot heden geen reactie geweest, of zelfs maar een bevestiging van ontvangst, door het college. Gezien het grote belang van het onderwerp voor welbevinden en gezondheid van onze inwoners, willen wij als SP Fractie daarover een aantal vragen stellen.

  1. Klopt het dat het college niet gereageerd heeft op zowel de eerste brief van Milieudefensie van 13 mei als op de tweede brief op 30 oktober dit jaar?
    Zo ja, kan het college toelichten waarom zij tot op heden niet gereageerd heeft op het bericht van Milieudefensie Maastricht?
  2. Deelt het college de opvatting van de SP-fractie dat, ondanks eventuele verschillen van mening en inzichten, het kwalijk is om niet te reageren op belangrijke maatschappelijke organisaties op het moment dat zij zich met hun inhoudelijke expertise mengen in het publiek debat?
  3. Is het college alsnog bereid om te reageren op Milieudefensie Maastricht? En hoe bent u van plan dit te doen?

Milieudefensie Maastricht stelt in haar ingezonden stuk dat het besluit van de Gemeente Maastricht om bij nieuwbouw adviesvoorden voor fijnstof te negeren, haaks staat op een onlangs aangenomen Europese Richtlijn over luchtkwaliteitsnormen en haaks op adviezen van GGD.

  1. Heeft de gemeente Maastricht reeds kennisgenomen van deze nieuwe richtlijn?
  2. Kan het college reflecteren op de claim van Milieudefensie Maastricht dat het Maastrichtse beleid haaks staat op deze richtlijn?
  3.  Kan het college reflecteren op het feit dat Milieudefensie Maastricht het door de gemeente Maastricht gevoerde beleid onder de aandacht heeft gebracht bij de voorzitter (tevens staatssecretaris openbaar vervoer en milieu) van de stuurgroep van het Schone Lucht Akkoord in de vorm van een melding van geschil met betrekking tot het tekortschietende beleid van de gemeente Maastricht aangaande huisvesting en bescherming van hoog gevoelige groepen in onze stad?

Maastricht, 19 november 2024

Schriftelijke vragen SP over het WMO-toezichtbeleid

Geacht college,

Naar aanleiding van diverse publicaties over het hier voorliggende thema heeft de SP de volgende vragen:

  1. Hanteert de gemeente Maastricht een WMO-toezichtbeleid en dat openbaar? M.a.w. kunnen we dit ergens inzien? 
  2. Functioneren de WMO-toezichthouders in Maastricht onafhankelijk m.a.w. is er geen sprake van zogenaamde functieverstrengeling en is dat formeel vastgelegd? Zo nee, waarom niet?
  3. Hoeveel rapporten zijn er de afgelopen 3 jaren gemaakt door de toezichthouders van de gemeente Maastricht? Zijn de rapporten in te zien?
  4. Kan het college aangeven wat de meest voorkomende vragen zijn geweest in dit kader en/of de meest urgente problemen die werden gemeld en geconstateerd naar aanleiding van toezicht?
  5. Heeft de gemeente Maastricht in het kader van het toezichtbeleid, mee gewerkt aan het landelijk onderzoek en rapportages hieromtrent van de inspectie gezondheidszorg (IGJ) in 2023? Zo nee, waarom niet?
  6. Welke resultaten van dit onderzoek blijken relevant te zijn voor de Maastrichtse situatie? En wat doet het college eraan om dit op te volgen?

Maastricht 5 november 2024

Schriftelijke vragen over inkomensdaling wajongers

Geacht college,

De Nationale ombudsman heeft vorig jaar de Tweede Kamer verzocht bij het kabinet aan te dringen op een snelle en structurele oplossing voor de inkomensdaling van burgers met een Wajong-uitkering.

Sinds 2023 komen sommige Wajonggerechtigden niet meer in aanmerking voor kwijtschelding van de lokale belastingen of langdurigheidstoeslag. Het is een onbedoeld effect van wijzigingen in wet- en regelgeving. Met grote gevolgen voor deze burgers: ze hebben in één keer honderden euro's per jaar minder te besteden. Mensen komen terecht onder bijstandsniveau en schulden liggen snel op de loer.

Ondanks mogelijke kwijtschelding wordt van deze mensen verwacht dat ze ‘vooruit’ betalen. Ze kunnen daarna weliswaar bezwaar indienen, maar ook dat proces verloopt niet gemakkelijk en mensen komen in de knel te zitten. Als mensen de weg niet goed kennen of geen adequate hulp daarbij krijgen en duidelijke informatie vanuit gemeentes,  kunnen er veel problemen ontstaan.

Het probleem wordt veroorzaakt door een combinatie van wijzigingen in het wettelijk minimumloon en de bijstandsnorm. Wajonggerechtigden hebben daardoor een hoger inkomen. Zij komen nu niet meer in aanmerking voor (geautomatiseerde) kwijtschelding van lokale belastingen. Het probleem speelt vermoedelijk breder, ook sommige burgers met een WIA- en een WAO-uitkering kunnen hierdoor geraakt zijn.

Dit onbedoelde effect is echt onwenselijk. Het gaat om burgers die op of rond het sociaal minimum leven en daarom in een kwetsbare positie zitten. We weten al een hele tijd dat het sociaal minimum niet toereikend is en nu heeft deze groep geen ruimte om financiële buffers op te bouwen. De impact is groot, het zorgt voor financiële onzekerheid en stress. Dit is alweer een voorbeeld van kwetsbare burgers die de dupe worden van onbedoelde effecten van wijzigingen in wet- en regelgeving. Het kabinet moet met een oplossing komen. Hoe gaan we mensen concreet helpen?

Een uiteindelijke oplossing zou gepland zijn voor 2025, maar wat doen nu anno 2024 dan voor die gedupeerde mensen? Hoe is het gesteld met het aanpakken van dit probleem in onze stad Maastricht?

  1. Is de gemeente bekend met deze problematiek en wordt erover gecommuniceerd met betrokken inwoners?  
  2. Kent de gemeente het advies/verzoek van de VNG met betrekking tot deze problematiek? Wordt dit ook opgevolgd?  
  3. Hoe gaat de gemeente vandaag te dag om met dergelijke casussen?  
  4. Worden mensen die het betreft, en die een aanvraag tot kwijtschelding kunnen doen, hierover door de gemeente proactief geïnformeerd? Zo ja hoe dan? Zo nee, waarom niet?  
  5. Waarom is de inkomensgrens voor de kwijtschelding naar beneden bijgesteld van 120 naar 100 procent van de bijstandsnorm? Dit in het licht van het feit dat alles duurder wordt?  
  6. Zijn inwoners die het betreft hierover ook geïnformeerd?  Zo ja hoe dan? Zo nee, waarom niet?  
  7. Waarom liggen de vermogensgrenzen voor kwijtschelding gemeentelijke belastingen in Maastricht lager dan in andere (Limburgse gemeenten?
  8. Wat kan de gemeente zelf doen aan deze onbedoelde frictie tussen systeemwereld en leefwereld? Zo ja, wat dan?  Zo nee, waarom niet?  
  9. Het gebeurt wel vaker dat UWV-regelgeving en gemeentelijke regelgeving elkaar bijt. Hoe gaat de gemeente om met casussen waarbij dit het geval is?  
  10. Worden betrokken mensen in Maastricht financieel geholpen of gecompenseerd, mochten ze door de boven beschreven problematiek in de problemen komen?

Maastricht, 28 oktober 2024

Schriftelijke vragen over compensatie voor overheidsfouten bestaansminimum.

Geacht college,

In 2023 werd er melding gemaakt van een overheidsfout die duizenden gezinnen in het land getroffen heeft. Door deze fout zijn mensen qua inkomen onder het bestaansminimum terechtgekomen. Gemeenten kunnen actie ondernemen. Echter werd er al snel geconcludeerd dat veel gemeenten deze mensen niet actief opsporen om ze te informeren en de zaak op te lossen c.q. te zorgen voor compensatie. Ook de geboden hulp van de Belastingdienst grijpen lang niet alle gemeenten aan. De compensatie van die gezinnen die in armoede leven door een overheidsfout, verloopt dus uiterst stroef. Gemeenten vinden het ingewikkeld en tijdrovend. De landelijke overheid kan gemeenten helpen door lokale lijsten ter beschikking te stellen van mogelijke gedupeerden, maar lang niet alle gemeenten gaan op dat aanbod in en vragen de lijsten van potentiële slachtoffers aan.

De fout betreft ongeveer 6.400 huishoudens. Zij leven onder het bestaansminimum doordat de regels rond uitkeringen, toeslagen en belastingen elkaar onbedoeld in de weg zitten. Het probleem is al sinds 2016 bekend en maakte de ombudsman er melding van, maar pas begin vorig jaar kondigde het kabinet aan actie te ondernemen, na een artikel in NRC en Kamervragen.

Het probleem ontstaat bij ‘eenverdieners’: stellen van wie één partner eigen inkomen heeft. In dit geval is dat vaak een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UWV. Die uitkering is netto hoog genoeg, maar de gedupeerden krijgen minder toeslagen dan de bedoeling is. Hun bruto-inkomen wordt als gevolg van zeer specifieke belastingregels namelijk veel te hoog, waardoor zij toeslagen moeten terugbetalen. De meeste gedupeerden komen hierdoor honderden euro’s per jaar onder het minimum, sommige meer dan 1.000 euro. Dus toenemende kans op armoede en schulden. 2 Een definitieve oplossing komt op zijn vroegst in 2028. Dan hoopt de belastingdienst automatisch het juiste toeslagenbedrag te kunnen uitkeren aan de gedupeerden.

Tot die tijd moeten gemeenten deze gezinnen opsporen en, ieder jaar opnieuw, hun inkomensgat repareren. De meeste gemeenten zijn daar nog niet of nauwelijks mee begonnen.

Wat is de status in onze stad?

Problematische schulden Ook voormalig minister Carola Schouten (Armoedebeleid, ChristenUnie) riep gemeenten op de lijst alsnog aan te vragen. „Het gaat om mensen die onder het sociaal minimum leven doordat ónze regelingen tegen elkaar inwerken”, zegt ze. „Ze krijgen niet waar ze recht op hebben: dat is al reden genoeg om hen te willen helpen.” Door hun lage inkomen is de kans ook groot dat zij in de schulden komen. „Dus los van het morele punt”, zei Schouten, is het voor gemeenten ook praktischer om gedupeerden zo snel mogelijk te helpen. „Uiteindelijk komen ze toch een keer aan je balie en dan kunnen de problemen groter zijn.” Vanaf 2025 jaar moest de jaarlijkse compensatie makkelijker worden voor gemeenten. Een nieuwe wet zou hen dan de mogelijkheid geven om alle gedupeerden hetzelfde, hoge compensatiebedrag te geven, ongeacht hun werkelijke schade. Dat scheelt ambtenaren veel werk: nu moeten zij voor ieder slachtoffer een complexe berekening maken. Maar er waren tegenvallers. De lijsten van de Belastingdienst zijn minder bruikbaar dan gehoopt. Dat komt doordat ze gebaseerd zijn op voorlopige inkomensgegevens van een vorig jaar. Dat zou niet erg zijn als de groep gedupeerden jarenlang dezelfde blijft. Maar dat is niet zo, blijkt uit nieuwe analyses. In twee jaar tijd is ongeveer een derde tot de helft van de groep vernieuwd. Meer moeite doen dat is slecht nieuws voor gemeenten. Als zij álle slachtoffers willen helpen, hebben ze niet genoeg aan de lijst. De rest zullen zij moeten opsporen. Makkelijk is dat niet want de doelgroep heeft meestal geen idee dat ze in deze situatie zitten en recht hebben op meer.” Het gebeurt daarom vrijwel nooit dat gedupeerden zichzelf komen melden. Gemeenten zouden een communicatie-actie kunnen opzetten. „Maar ook dan is de vraag of mensen zich aangesproken voelen.” Gemeenten kunnen ook maatschappelijke organisaties vragen om alert te zijn op dit probleem. Dat is nuttig, maar de kwestie is zó ingewikkeld: „Je kunt niet van alle maatschappelijk werkers, en zeker niet van vrijwilligers, verwachten dat zij dat helemaal begrijpen en herkennen als ze het tegenkomen.”

Tot de definitieve oplossing in 2028 zal het moeilijk blijven om alle slachtoffers te compenseren.

Wij komen vervolgens tot de volgende vragen. 1. Heeft het college kennisgenomen van het bovenstaande beschreven probleem, de fout in het systeem waardoor inwoners onterecht gekort worden op regelingen? Zo ja, wat werd er in de tussentijd gedaan om het op te lossen voor mogelijke slachtoffers in onze stad? Zo nee, waarom niet? Gaat u dan alsnog en zo spoedig mogelijk actie ondernemen om het probleem in kaart en brengen?

2. Zijn er in Maastricht gedupeerden van de overheidsfout en hoeveel mensen hebben we dan in beeld?

3. Is het college het met de SP eens dat deze mensen zo snel als mogelijk gecompenseerd en geholpen dienen te worden als dat nog niet gebeurd is in de tussentijd?

4. Denkt u dat er nog meer mensen in de problemen zijn gekomen die niet op de radar staan? Kunt u een inschatting maken van het aantal en hoe denkt u deze groep alsnog te bereiken?

5. Heeft u contact gelegd met potentiële gedupeerden om e.e.a. te adresseren en mogelijk op te lossen? Heeft u actief geprobeerd gedupeerde mensen op te sporen en te helpen?

6. Heeft het college gebruik gemaakt van de aangeboden hulp van het rijk en de belastingdienst, zo ja heeft dat geleid tot opsporing van slachtoffers en werden die adequaat geholpen in de tussentijd?

7. Heeft het college er alles aan gedaan om mensen via communicatie, pers en persoonlijke berichten en partners in het veld, op de hoogte te stellen van een mogelijke overheidsfout die hersteld zou kunnen worden? Kan het college ons aangeven wat er precies op het gebied van communicatie heeft plaatsgevonden? Wat was het concrete resultaat?

8. Heeft het college contact met andere relevante organisaties die een oplossende of signalerende rol zouden kunnen spelen in dit dossier?

9. Op welke wijze is het college van plan deze inwoners te compenseren?

10. Hoe gaat het college om met eventueel ontstane schulden door de fout die is gemaakt door de overheid?

Hoogachtend, Jack van Gelooven Fractievoorzitter SP

Maastricht, 25 oktober 2024 

Schriftelijke vragen van SP inzake de uitstoot van kwikverbindingen (als Hg) door de Koninklijke Mosa BV Wandtegelfabriek aan de Meerssenerweg 358 te Maastricht.

Geacht college,

Sinds 2016 rust er een zogenoemde een zogenoemde minimalisatieverplichting op bedrijven die activiteiten ontplooien die schade aan de leefomgeving en de volksgezondheid kunnen toebrengen. De verplichting om Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) te minimaliseren, komt voort uit de zorgplicht zoals omschreven in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze zorgplicht geldt voor bedrijven en activiteiten die melding plichtig of vergunning plichtig zijn. Door de introductie van de minimalisatieverplichting, hoopte de rijksoverheid een stevige vermindering van de uitstoot van schadelijke stoffen te bewerkstelligen. Artikel 2.11 van het Bal legt uit dat iedereen die een activiteit uitvoert die schadelijk kan zijn voor het milieu (zoals bedrijven) alle nodige maatregelen moet nemen om schadelijke effecten te voorkomen. Als het niet mogelijk is om deze effecten volledig te voorkomen, moet het bedrijf de schade zo veel mogelijk beperken of herstellen. Deze plicht geldt voor alle stoffen, inclusief ZZS, zoals emissies, afval, producten of bestrijdingsmiddelen die deze stoffen bevatten. In de tweede en derde alinea van artikel 2.11 wordt verduidelijkt hoe bedrijven de schade zoveel mogelijk moeten beperken. Dit houdt in dat ze de beste beschikbare technieken moeten gebruiken, alle passende maatregelen moeten nemen om milieuvervuiling te voorkomen, maatregelen moeten nemen om de gezondheid te beschermen, en geen significante vervuiling mogen veroorzaken.

Volgens Kenniscentrum InfoMil, het centraal informatiepunt voor wet- en regelgeving binnen het omgevingsdomein, is kwik ‘een gevaarlijke stof die uit het milieu moet verdwijnen’ en wordt er wereldwijd via verdragen en wetgeving naar gestreefd om ‘het gebruik te beperken, de uitstoot te verminderen en de stof permanent veilig op te slaan’. Kwik is een zwaar metaal dat volgens InfoMil al in lage doseringen toxisch is. De stof tast voornamelijk het zenuwstelsel en de nieren aan, en is extra schadelijk voor zwangere vrouwen en hun ongeboren kinderen, wat maakt dat de uitstoot van kwik op korte termijn tot een absoluut minimum beperkt moet worden, zeker in de bebouwde omgeving.

Echter, uit een onderzoek van RTL4 dat op 25 oktober 2024 verscheen, en uit de bedrijfsrapportages in het emissieregister van de rijksoverheid, blijkt dat uitstoot van kwikverbindingen (als Hg) door de Koninklijke Mosa BV Wandtegelfabriek in Maastricht tussen 2015 en 2022 niet is afgenomen, maar juist is toegenomen van 2,3 kilogram naar 6,2 kilogram. Wat daarbij extra verontrustend is, is dat de fabriek van de Koninklijke Mosa zo ongeveer middenin onze stad gelegen is en praktisch middenin een woonwijk ligt. Ook worden er in de nabije omgeving, te weten op het oude terrein van Mosa Porselein aan de andere kant van de Meerssenerweg, op korte termijn nog eens 245 wooneenheden bijgebouwd. Deze verontrustende informatie heeft bij onze fractie de volgende vragen doen rijzen:

1. Is het college op de hoogte van de minimalisatieverplichting die sinds 2016 rust op bedrijven zoals de Koninklijke Mosa BV, die activiteiten uitvoeren die schadelijk kunnen zijn voor de leefomgeving en volksgezondheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is er inzicht in de manier waarop de Koninklijke Mosa BV aan deze verplichting voldoet? Zo ja, zou de raad daarvan een overzicht mogen ontvangen?

2. Welke stappen heeft het college tot op heden ondernomen om te controleren of de Koninklijke Mosa BV gebruikmaakt van de ‘beste beschikbare technieken’ en alle mogelijke maatregelen treft om milieuvervuiling te voorkomen, zoals vereist door artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)? Mocht uw college geen stappen hebben ondernomen, waarom niet?

3. Hoe is volgens uw college te verklaren dat de kwikuitstoot van de Koninklijke Mosa BV Wandtegelfabriek in Maastricht tussen 2015 en 2022 niet is afgenomen, maar juist is gestegen van 2,3 kilogram naar 6,2 kilogram?

4. Kan het college toelichten welke controlemechanismen momenteel bestaan om naleving van de zorgplicht en minimalisatieverplichting door vergunning plichtige en melding plichtige bedrijven in Maastricht te waarborgen, met specifieke aandacht voor ZZS zoals kwik?

5. Heeft de gemeente Maastricht, eventueel in samenwerking met andere overheidsinstanties, actie ondernomen om deze toename van kwikuitstoot te onderzoeken? Zo ja, wat waren de bevindingen en eventuele consequenties voor de bedrijfsvoering van de Koninklijke Mosa BV? Zo nee, waarom niet?

6. Is het college het met onze fractie eens dat het extra zorgelijk is dat deze uitstoot plaatsvindt in een dichtbevolkte stedelijke omgeving, waar kwetsbare groepen zoals kinderen en zwangere vrouwen aan de schadelijke effecten van kwik kunnen worden blootgesteld? Zo ja, is de gemeente inmiddels in gesprek met de Koninklijke Mosa? Zo nee, waarom niet?

7. Op welke wijze informeert het college de omwonenden van de Koninklijke Mosa BV Wandtegelfabriek over de risico’s van de verhoogde kwikuitstoot en de stappen die worden ondernomen om de uitstoot terug te dringen?

8. Hoe kijkt het college naar de ontwikkelingen rondom de geplande bouw van 245 nieuwe wooneenheden in de directe nabijheid van de Koninklijke Mosa BV Wandtegelfabriek, gelet op de verhoogde kwikuitstoot? Welke maatregelen overweegt het college in het kader van die herontwikkeling om de gezondheid van toekomstige bewoners te waarborgen?

9. Ziet het college mogelijkheden om de eisen omtrent minimalisatieverplichting en zorgplicht strenger te handhaven voor bedrijven die zich binnen of nabij woonwijken in onze gemeente bevinden, en overweegt het college hiervoor aanvullende beleidsmaatregelen te ontwikkelen?

Hoogachtend, Stephanie Blom Raadslid SP

 

Maastricht, 16 oktober 2024

Diverse korte technische vragen: 

Formuleringen RIB onderwijsachterstanden

Hoi, ik wil graag het volgende verzoek doen: De hele RIB is moeilijk geformuleerd.  Dus een eenvoudige versie zou welk zijn. Zo ook specifiek de alinea: Wat is gerealiseerd?  

Leg dit a.u.b. uit. Wat zijn de zware groepen precies? Wat betekend vanaf 60 %? Wat is extra financiering en hoeveel extra is dat dan en extra boven op wat, wordt hier bedoelt? En waarom is dit een prima idee, wat levert het op voor cliënten, ouders, gemeente, instellingen? 

PS Het zullen voor insiders misschien bekende begrippen zijn en bellen doen rinkelen, maar voor ons is dat niet het geval. Er werd al vaker voorgesteld sommige dingen in een bijlage/leeswijzer of zo te definiëren/omschrjiven

Autoluw Wyck 

We zien in de ingekomen stukken een uitnodiging voor een bijeenkomst in het kader van Autoluw Wyck. In de uitnodiging voor 4 december wordt gesteld dat er een consensus is bereikt binnen de werkgroep. Wethouder Aarts nodigt mensen uit om erover te praten. De uitkomsten van een eerdere uitvraag ronde werden terzijde geschoven toen de 'ondernemers' vragen stelde bij de representativiteit van de deelnemers aan de gesprekken. Er volgde een hernieuwde overlegronde. 

 Wij vragen ons als SP af wat die consensus precies inhoudt? Kan de wethouder ons deze consensus exact beschrijven? Er werd namelijk recentelijk door diezelfde werkgroep geschreven over het weren van fietsen en het uitbreiden van terrassen als een soort uitruil met de beperking van auto's in de wijk. Bovendien afficheerde de werkgroep zich als groep van adviseurs en dat lijkt ons ook niet het geval in de praktijk. Kan de wethouder ons uitleggen wat de waarde is van het gesprek van 4 december. Wanneer bewoners van Wyck die niet betrokken waren bij de 'adviseurs' het niet eens zijn met de consensus, hoe wordt dit dan verder opgepakt? 

Evenementen in Maastricht 2025

Hoi, we hebben een paar korte vragen n.a.v. de informatie aangaande evenementen 2025 in Maastricht. Wat voor ons interessant zou zijn om te weten of het opzet is dat er verschillende namen worden gebruikt voor dezelfde vierkante meters m.b.t. de info over: 

- Gashouder
- Radium
- Stadsweide

Het lijkt een 'handige' omschrijving om het aantal events en de maximale belasting op die plek uit te spreiden over drie 'locaties', die basically dezelfde plek zijn. Met dezelfde omliggende buurten. Of is er hier sprake van een vergissing? En zouden we die graag in de betreffende informatie zien aangepast. 

Verder zien we dat het aantal events op het Richie Backfirepleintje ook doorgroeit. Net als het aantal dagen per event. Wat erop neerkomt dat een wijk als Boschpoort komend voorjaar en zomer nogal wat weekenden te kampen heeft met geluidsoverlast. Kan de betreffende wethouder hierop reflecteren?  Hoe worden de om - en inwoners geïnformeerd en de elk jaar stijgende overlast beperkt? 

Maastricht, 16 oktober 2024

Schriftelijke vragen - Mogelijk afstoten 471 eenheden NV Wonen boven Winkels Maastricht

Geacht college,

De NV Wonen boven Winkels Maastricht (WbWM) werd in 1992 opgericht (p. 171) om leegstaande verdiepingen in de Maastrichtse binnenstad om te vormen tot woningen, vooral voor studenten. Dit initiatief had als doel om verwaarlozing van panden tegen te gaan, het stadscentrum levendiger te maken en studenten betaalbare en huisvesting in de stad te bieden. De gemeente Maastricht, Universiteit Maastricht, en woningcorporatie Woonpunt zijn elk voor een derde aandeelhouder, terwijl de gemeente de volledige financiering verzorgt. Wat onze partij betreft een ontzettend mooi voorbeeld van hoe de gemeente een actieve en sturende (eigenaars)rol kan nemen op het gebied van de volkshuisvesting. Echter, blijkens de begroting voor 2025 (p. 168) is deelname van de gemeente Maastricht in de NV Wonen boven Winkels Maastricht (WbWM) volgens uw college van zowel ‘laag financieel belang’ als van ‘laag beleidsmatig belang’.

1. Kan uw college verduidelijken wanneer volgens haar in algemene zin sprake is van een ‘laag beleidsmatig belang’ en van een ‘laag financieel belang’? In het coalitieakkoord 2022 – 2026 stelt uw college dat een van de ambities voor de middellange termijn, het realiseren van betaalbare, toekomstbestendige en duurzame kamers, appartementen en huizen voor diverse doelgroepen in Maastricht is, hetgeen bereikt moet worden door het voeren van actief woonbeleid (p. 17).

2. Waarom is volgens uw college deelname aan de NV WbWM van ‘laag beleidsmatig belang’, met name in het licht van de door uw college gestelde ambities op het gebied van de realisatie van betaalbare kamers, appartementen en huizen voor diverse doelgroepen?

3. Wat zijn de specifieke redenen waarom de aandeelhouders de 471 panden willen verkopen, buiten de geschetste financiële overwegingen om?

4. Hoe is uw college voornemens ervoor te zorgen dat het afstoten van deze ‘eenheden’ niet leidt tot een tekort aan betaalbare woningen in de binnenstad, vooral voor jongeren en gezinnen met een lager inkomen?

5. Kan uw college garanderen dat de betreffende ‘eenheden’ betaalbaar blijven voor de huidige bewoners als deze worden afgestoten en in particuliere handen vallen, waarschijnlijk als één portefeuille in die van een (buitenlandse) investeerder? Zo ja, op welke wijze is zij voornemens dit te bewerkstelligen? Zo nee, hoe verhoudt dat zich tot de eerder genoemde ambitie uit het coalitieakkoord?

6. Aangezien 14 van deze panden winkels zijn, hoe wordt ervoor gezorgd dat het afstoten van deze panden geen negatieve gevolgen heeft voor met name de kleine ondernemers die afhankelijk zijn van hun (nu nog) betaalbare locatie? 

Maastricht, 14 oktober 2024

Schriftelijke vragen SP over de toekomst van de (maak)industrie en de (zakelijke) dienstverlening in de gemeente Maastricht.

Geacht college,
Zoals bekend, is Maastricht de afgelopen jaren getuige van een ware leegloop op het gebied van de (maak)industrie en de (zakelijke) dienstverlening. Zoals pakkend uiteengezet in een artikel in de Nieuwe Ster van 4 oktober jl. sloot eerder dit jaar verpakkingsmiddelenfabrikant Mondi de deuren, waarbij 120 medewerkers hun baan verloren. Ook gaat het al jaren slecht met de papierfabriek van SAPPI, en kondigde glasfabriek O-I eerder deze week aan dat 115 van de 305 medewerkers hun baan verliezen als onderdeel van een reorganisatie. Niet alleen op het gebied van de (maak)industrie staat het er slecht voor, maar ook op het gebied van de (zakelijke) dienstverlening zag Maastricht de afgelopen jaren de nodige grote werkgevers vertrekken naar elders. Zo vervallen er bij het callcenter van Mercedes Benz 380 van de 1300 banen, verplaatste Vodafone het hoofdkantoor naar Utrecht, ging Vesteda naar Amsterdam, en liet de Kamer van Koophandel weten in Roermond te blijven en niet terug te keren naar Maastricht. Tenslotte vertrok Sphinx in 2015, nadat KPN onze stad reeds in 2008 verlaten had. Deze ontwikkelingen doen bij de SP de nodige vragen rijzen over de toekomst van de (maak)industrie en de (zakelijke) dienstverlening in Maastricht, en de visie van het college daarop. Bovendien vraagt onze fractie zich af of het niet tijd wordt voor een grondige herijking van de industriepolitiek die in onze gemeente wordt gevoerd, voor zover daar überhaupt al sprake van is.

1. Mag de gemeenteraad een uiteenzetting ontvangen van de visie van uw college op gemeentelijke industriepolitiek in algemene zin, en van de huidige industriepolitiek die er door uw college wordt gevoerd in de gemeente Maastricht?

2. Kan de gemeenteraad een overzicht ontvangen welke grote ondernemingen er op het gebied van de (maak)industrie en de zakelijke dienstverlening er momenteel nog aanwezig zijn in Maastricht en in hoeveel banen deze ondernemingen momenteel voorzien?

3. Mag de gemeenteraad ook een overzicht ontvangen van de ondernemingen in de genoemde sectoren die, voor zover bij u reeds bekend, de komende jaren voornemens zijn om te verdwijnen uit Maastricht of te snijden in het personeelsbestand?

4. Zit uw college aan tafel/is zij gesprekspartner bij de nog bestaande (maak)industriële ondernemingen en de zakelijke dienstverleners in onze stad om samen met hen hun toekomst te bespreken? Zo ja, hoe worden deze gesprekken vormgegeven en zet het college daarbij bijvoorbeeld in op de vormgeving van deugdelijke en ruimhartige sociale plannen in het geval van afvloeiing van werknemers? Zo nee, is het college bereid meer regie te nemen bij voorgenomen sluitingen of inkrimping van ondernemingen in de genoemde sectoren? Zo nee, waarom niet?

5. Wordt er buiten de volledige inzet op de toekomstmuziek van de Brightlands Health Campus en de aandacht die er in de marketing van de stad kennelijk geschonken wordt aan creatieve/ambachtelijke makers nog ingezet op andere initiatieven en instrumenten om bedrijvigheid van industriële en dienstverlenende aard naar Maastricht te halen en/of die te behouden voor Maastricht? Zo ja, wat zijn die initiatieven en instrumenten ter aantrekking of behoud?

6. Mocht uw college de mening toegedaan zijn dat er in het Maastricht van nu en de komende decennia nog maar weinig tot geen ruimte meer is voor de (maak)industrie en de (zakelijke) dienstverlening, welke consequenties heeft dit volgens uw college dan voor de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt in onze stad, met name voor praktisch opgeleiden?

 

Maastricht, 14 oktober 2024

Schriftelijke vragen SP over de toekomst van de (maak)industrie en de (zakelijke) dienstverlening in de gemeente Maastricht.

Geacht college,

Zoals bekend, is Maastricht de afgelopen jaren getuige van een ware leegloop op het gebied van de (maak)industrie en de (zakelijke) dienstverlening. Zoals pakkend uiteengezet in een artikel in de Nieuwe Ster van 4 oktober jl. sloot eerder dit jaar verpakkingsmiddelenfabrikant Mondi de deuren, waarbij 120 medewerkers hun baan verloren. Ook gaat het al jaren slecht met de papierfabriek van SAPPI, en kondigde glasfabriek O-I eerder deze week aan dat 115 van de 305 medewerkers hun baan verliezen als onderdeel van een reorganisatie. Niet alleen op het gebied van de (maak)industrie staat het er slecht voor, maar ook op het gebied van de (zakelijke) dienstverlening zag Maastricht de afgelopen jaren de nodige grote werkgevers vertrekken naar elders. Zo vervallen er bij het callcenter van Mercedes Benz 380 van de 1300 banen, verplaatste Vodafone het hoofdkantoor naar Utrecht, ging Vesteda naar Amsterdam, en liet de Kamer van Koophandel weten in Roermond te blijven en niet terug te keren naar Maastricht. Tenslotte vertrok Sphinx in 2015, nadat KPN onze stad reeds in 2008 verlaten had. Deze ontwikkelingen doen bij de SP de nodige vragen rijzen over de toekomst van de (maak)industrie en de (zakelijke) dienstverlening in Maastricht, en de visie van het college daarop. Bovendien vraagt onze fractie zich af of het niet tijd wordt voor een grondige herijking van de industriepolitiek die in onze gemeente wordt gevoerd, voor zover daar überhaupt al sprake van is.

1. Mag de gemeenteraad een uiteenzetting ontvangen van de visie van uw college op gemeentelijke industriepolitiek in algemene zin, en van de huidige industriepolitiek die er door uw college wordt gevoerd in de gemeente Maastricht?

2. Kan de gemeenteraad een overzicht ontvangen welke grote ondernemingen er op het gebied van de (maak)industrie en de zakelijke dienstverlening er momenteel nog aanwezig zijn in Maastricht en in hoeveel banen deze ondernemingen momenteel voorzien?

3. Mag de gemeenteraad ook een overzicht ontvangen van de ondernemingen in de genoemde sectoren die, voor zover bij u reeds bekend, de komende jaren voornemens zijn om te verdwijnen uit Maastricht of te snijden in het personeelsbestand?

4. Zit uw college aan tafel/is zij gesprekspartner bij de nog bestaande (maak)industriële ondernemingen en de zakelijke dienstverleners in onze stad om samen met hen hun toekomst te bespreken? Zo ja, hoe worden deze gesprekken vormgegeven en zet het college daarbij bijvoorbeeld in op de vormgeving van deugdelijke en ruimhartige sociale plannen in het geval van afvloeiing van werknemers? Zo nee, is het college bereid meer regie te nemen bij voorgenomen sluitingen of inkrimping van ondernemingen in de genoemde sectoren? Zo nee, waarom niet?

5. Wordt er buiten de volledige inzet op de toekomstmuziek van de Brightlands Health Campus en de aandacht die er in de marketing van de stad kennelijk geschonken wordt aan creatieve/ambachtelijke makers nog ingezet op andere initiatieven en instrumenten om bedrijvigheid van industriële en dienstverlenende aard naar Maastricht te halen en/of die te behouden voor Maastricht? Zo ja, wat zijn die initiatieven en instrumenten ter aantrekking of behoud?

6. Mocht uw college de mening toegedaan zijn dat er in het Maastricht van nu en de komende decennia nog maar weinig tot geen ruimte meer is voor de (maak)industrie en de (zakelijke) dienstverlening, welke consequenties heeft dit volgens uw college dan voor de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt in onze stad, met name voor praktisch opgeleiden?

9 oktober 2024

Schriftelijke vraag SP inzake mogelijkheden tot ontbinding verkoop ‘Palace/Wyck’.

Geacht college,

Door de afmelding van wethouder Bastiaens voor de domeinvergadering Fysiek van 8 oktober 2024, was onze fractie niet in staat de volgende vraag mondeling aan hem te stellen. Om die reden hebben wij ervoor gekozen deze via deze weg schriftelijk in te dienen. Inmiddels is bekend geworden dat we als stad de min in gaan op de grondexploitatie van Palace/Wyck. Dat staat zowel in de begroting, als in de grondexploitatie die onze fractie vorige week heeft ingezien. Dat betekent dat we als stad en als inwoners dus geld gaan toeleggen op de ontwikkeling van een luxehotel waar inmiddels weinigen meer op zit te wachten, en waarvoor we ook nog eens een aantal Maastrichtenaren gaan onteigenen. Zoals reeds eerder door onze fractie naar voren gebracht, bevat het contract tussen de gemeente en de ontwikkelaar een clausule waarin opgenomen is dat als er voor 1 januari 2024 niet gesloopt of ontwikkeld is, beide partijen het contract zonder opgaaf van reden kunnen ontbinden. Op basis van de nieuwe informatie over de negatieve grondexploitatie, wil onze fractie uw college dan ook de volgende vraag voorleggen.

1. Is het college bereid de bovengenoemde clausule in te roepen en de overeenkomst met de ontwikkelaar te ontbinden, daar de stad momenteel geld aan het toeleggen is op de komst van een hotel en wij eigenlijk met zijn allen belastinggeld betalen om mensen te onteigenen? Zo ja, per wanneer mogen wij de ontbinding tegemoetzien? Zo nee, waarom niet?

7 oktober 2024

Schriftelijke vragen over de voorkoming en aanpak van femicide en overig gender-gerelateerd geweld in de gemeente Maastricht.

Geacht college,

Tussen 2017 en 2022 werden er in Nederland 215 vrouwen om het leven gebracht, waarvan er 121 vrouwen gedood werden door hun (ex-)partner. Nog eens 42 van hen werden gedood door een familielid, en 23 van hen door een kennis of vriend(in), waarbij in de laatste categorieën eerwraak en onbeantwoorde liefde vaak het motief waren. Meer lokaal bezien, werden er in Limburg in de periode gelegen tussen 2018 en 2024 minimaal 12 vrouwen gedood door hun (ex)partner. Echter, de totale cijfers ten aanzien van gender-gerelateerd geweld, zoals pogingen tot femicide en stalking, zijn grotendeels onbekend, wat maakt dat het probleem nog vele male groter is dan de hier genoemde cijfers laten zien. Dit type levensdelict is in de wetenschap en de maatschappelijke discussie bekend komen te staan als ‘femicide’, het doden van meisjes en vrouwen omdat zij vrouw zijn. Deze definitie is echter een lastige, aangezien er nog veel discussie over bestaat over de aard en omvang ervan, maar het gaat om delicten waaraan vaak een lange periode van intieme terreur (e.g. stalking, bedreiging, mishandeling, etc.) vooraf gegaan is, en waarbij de dader het veelal niet kan verkroppen dat een vrouw hem verlaat, dreigt te verlaten, of zich niet conformeert aan de gedragsregels die hij voor haar gesteld heeft in hun relatie.

Sinds enkele jaren neemt ook de gemeente Maastricht deel aan het Orange the World-initiatief. Dit is een wereldwijde campagne tegen geweld tegen vrouwen en meisjes, die jaarlijks plaatsvindt van 25 november (de Internationale Dag tegen Geweld tegen Vrouwen) tot 10 december (de Internationale Mensenrechtendag). Ook in onze gemeente worden er in die periode gebouwen oranje uitgelicht, en debatten, demonstraties en tentoonstellingen georganiseerd. Momenteel organiseren onder andere de Soroptimisten Maastricht een expositie en een lezingenreeks over het onderwerp femicide. Kortom, met de publieke aandacht die er ook in Maastricht bij de gemeente en het maatschappelijk middenveld bestaat voor het onderwerp femicide, zit het wel snor. Bij onze fracties zijn echter een aantal vragen gerezen over de systemische en systematische aanpak die er in onze gemeente bestaat ten aanzien van de voorkoming en aanpak van intieme terreur en femicide.

1. Kan uw college de gemeenteraad inzicht verschaffen in hoe de aanpak van femicide en ander gender-gerelateerd geweld er momenteel uit ziet in de gemeente Maastricht, en haar een overzicht doen toekomen van de samenwerkende partners binnen dit dossier? Op 6 juni jl. verscheen het rapport ‘Stop femicide!’ dat een plan van aanpak behelst om dodelijk geweld tegen vrouwen en meisjes door (ex-)partner of familie te voorkomen. In dat rapport wordt een brede aanpak ter voorkoming van femicide geschetst, incluis een lijst van tien prioriteiten voor de aanpak 2024 – 2025.

2. Heeft uw college kennisgenomen van dat nieuwe plan van aanpak en de daarin genoemde tien prioriteiten? Zo ja, op welke wijze is het college voornemens om dit plan van aanpak en de prioriteitenlijst in de gemeente Maastricht te implementeren, en in welke financiering en beleidsinstrumenten vertaalt zich een en ander? Zo nee, waarom niet?

3. Is uw college bereid om, bijvoorbeeld middels de social media-kanalen van de gemeente, in de komende weken en maanden meer aandacht te besteden aan het onderwerp ‘femicide’ en intieme terreur, zodat meisjes en vrouwen beter en directer weten waar zij naartoe kunnen als zij te maken krijgen met gender-gerelateerd geweld? Zo ja, binnen welke termijn mogen wij een dergelijke campagne tegemoetzien en op welke wijze zal deze vorm krijgen? Zo nee, waarom niet?

In Rotterdam wordt reeds sinds september 2023 gewerkt met een apparaatje (AWARE) dat alarm slaat als een stalker of pleger van huiselijk geweld te dichtbij de locatie van het slachtoffer komt. Dit apparaatje staat in contact met de enkelband van een dader. Zodra het onderliggende systeem opmerkt dat beide personen elkaar op minder dan een kilometer naderen, slaat het alarm bij de reclassering. Sinds september 2024 kunnen ook slachtoffers in Noord-Nederland gebruik maken van het apparaatje.

4. Is uw college bekend met het bovengenoemde initiatief? Zo ja, is zij bereid om te onderzoeken of dit ook voor Maastricht en Zuid-Limburg een uitkomst zou kunnen bieden en op korte termijn kan worden geïntroduceerd? Zo ja, op welke termijn mag de gemeenteraad de resultaten daarvan ontvangen? Zo nee, waarom niet?

Op 1 oktober jl. verscheen er een vrij alarmerend rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met de titel ‘Aanhoudende onveiligheid tijdens het wachten op Veilig Thuis’. Veilig Thuis is momenteel een van de cruciale ketenpartners in de voorkoming en aanpak van intieme terreur en femicide. Hieruit blijkt dat de Veilig Thuis-organisaties het nog steeds nauwelijks lukt om de taken waar wettelijke termijnen voor zijn vastgesteld tijdig uit te voeren. Op basis van deze informatie maakt de inspectie zich ernstige zorgen over de kinderen, gezinnen en huishoudens voor wie niet tijdig een veiligheidsbeoordeling of onderzoek wordt uitgevoerd. Ook zijn de doorlooptijden in de vrouwenopvang (in de volksmond beter bekend als ‘blijf-van’-mijn-lijf-huizen’) landelijk bezien ontzettend lang.

5. Heeft uw college kennisgenomen van de inhoud van dit rapport? Zo ja, welke lessen en consequenties trekt zij daaruit met betrekking tot het functioneren van Veilig Thuis in Limburg en Maastricht? En op welke wijze gaat het college er zorg voor dragen dat een en ander zo snel mogelijk prioriteit krijgt en dat op zeer korte termijn structurele verbeteringen zullen optreden?

6. Kan uw college de gemeenteraad inzicht verschaffen in de huidige doorloop-/wachttijden voor de vrouwenopvang in Maastricht en de raad een verklaring voor die doorloop- /wachttijden doen toekomen, evenals een overzicht van een aantal maatregelen die volgens haar een oplossing zouden kunnen zijn voor deze lange wachttijden?

7. Kan uw college de raad ook informeren over de huidige staat van de huisvesting van de vrouwenopvang in Maastricht? Wat zijn de bouwkundige kwaliteiten daarvan? Hoe ziet de behuizing eruit op het gebied van privacy en relatieve zelfstandigheid van vrouwen en hun eventuele kinderen? Hoeveel opvangplekken zijn er in de bestaande vrouwenopvang? Et cetera

Ingediend namens: D66, SP, PvdD, SPM, GroenLinks, PvdA, LPM, Volt CDA, MVN, MOED en VVD

7 oktober 2024

Schriftelijke vragen SP aangaande misstanden tankreiniging en openbaarheid milieuvergunningen.

Maastricht, 7 oktober 2024 Betreft: Schriftelijke vragen SP aangaande misstanden tankreiniging en openbaarheid milieuvergunningen. Geacht college, Een recentelijk onderzoek van NRC1 en de Limburger2 over zorgwekkende toestanden in de tankreinigingssector omtrent lozingen van zware chemicaliën langs de Maas, heeft bij de SP-Fractie een aantal vragen doen rijzen. Uit het jaarverslag van RIWA-Maas3 blijkt dat in 2023 verschillende stoffen, die door tankreinigingsbedrijven mogen worden geloosd in de Maas, de internationale streefwaarden hebben overschreden bij de drinkwaterinnamepunten. De directeur van RIWA-Maas stelt in de NRC dat de manier waarop dit momenteel vergund is, echt niet kan. ATCN, de branchevereniging voor tankreinigers, maakt zelf een verdeling van honderden chemicaliën in vier categorieën, lopend van ‘minst schadelijk’ tot ‘zeer schadelijk’, en heeft ruim 160 wel degelijk schadelijke chemicaliën gecategoriseerd als ‘minst schadelijk’, zo blijkt uit onderzoek van NRC. 

1. Is er voor de vergunningen die in Maastricht reeds zijn afgegeven aan tankreinigingsbedrijven ook uitgegaan van de juistheid van de stoffenbank van de branchevereniging van tankreinigers ATCN?

2. Kan het college reflecteren op het feit dat volgens het onderzoek van NRC en de Limburger meerdere schadelijke stoffen, waaronder melamine en benzeen, zijn geloosd en dit tot de eerder benoemde overschrijdingen van streefwaardes heeft geleid?

Deelt het college de opvatting van de SP-fractie dat het vergunnen op basis van zelf ingedeelde schadelijkheidscriteria een onwenselijke situatie is omdat hier mogelijk conflicterende belangen spelen? Zo nee, waarom niet?

4. Is de gemeente voornemens bij de afgifte van nieuwe en de herziening van oude vergunningen niet meer alleen voort te bouwen op informatie van bedrijven zelf, maar ook instanties als RIWA-Maas hier in de toekomst bij te betrekken? Uit de lijst met vergunningen en stoffenlijsten die NRC heeft gepubliceerd valt op te maken dat de twee vergunningen voor Maastrichtse bedrijven beide meer dan 20 jaar oud zijn. Ditzelfde geldt voor de beide met NRC gedeelde stoffenlijsten die gehanteerd worden. Volgens de wet dienen watervergunningen voor schadelijke stoffen regelmatig geactualiseerd te worden.

5. Deelt het college de opvatting van de SP-fractie dat er in de twee reeds benoemde voorbeelden geen sprake is van een ‘regelmatige actualisatie’? Zo ja, waarom zijn deze vergunningen voor deze lange periode niet herzien?

6. Heeft de gemeente zicht op het aantal controles dat is uitgevoerd bij Maastrichtse tankreinigingsbedrijven in de afgelopen vijf jaar?

7. Zijn er bij de gemeente gevallen bekend waar bij een controle overtredingen zijn geconstateerd? Zo ja, hebben deze overtredingen geleid tot sancties?

8. Deelt het college de opvatting van de SP-fractie dat een regelmatige controle op bedrijven die chemicaliën mogen lozen naast een rivier waaruit drinkwater geput wordt essentieel is om de natuur en gezondheid van haar inwoners te beschermen?

9. Heeft het college zicht op het aantal bedrijven dat in de gemeente Maastricht mag lozen, maar wiens vigerende vergunning niet is geactualiseerd in de afgelopen tien jaar? In het onderzoek van NRC en de Limburger wordt er door de twee journalisten geconstateerd dat ondanks het feit dat milieuvergunningen volgens de wet openbaar moeten zijn, deze in de praktijk erg moeilijk vindbaar bleken.

In het onderzoek van NRC en de Limburger wordt er door de twee journalisten geconstateerd dat ondanks het feit dat milieuvergunningen volgens de wet openbaar moeten zijn, deze in de praktijk erg moeilijk vindbaar bleken.

10. Binnen welke termijn heeft de gemeente Maastricht de voor dit onderzoek opgevraagde vergunningen aan deze journalisten kunnen overleggen?

11. Voldoet de gemeente Maastricht aan de wettelijke vereisten omtrent transparantie van milieuvergunningen? a. Zo nee, binnen welke termijn denkt de gemeente dit op orde te hebben? De SP-fractie was opgelucht in de reactie van de gemeente Maastricht op het artikel in NRC te lezen dat de gemeente Maastricht erkent dat bij uitgave van de vergunningen nog niet van alle stoffen bekend was hoe schadelijk deze zijn. De gemeente stelt in de reactie op dit onderwerp verder dat de Omgevingsdienst Zuid-Limburg de komende tijd meer middelen zal krijgen om de problematiek.

omtrent de ‘zeer zorgwekkende stoffen’ aan te pakken en dat er momenteel gewerkt wordt aan het opbouwen van kennis op dit onderwerp, en dat zodra deze kennis aanwezig is, de gemeente de vigerende vergunningen opnieuw zal bekijken.

12. Welke concrete stappen is het college bereid te nemen het lozen van deze ‘zeer zorgwekkende stoffen’ te verminderen?

13. Kan de gemeente reeds een tijdsindicatie delen die zij nodig acht voor het ‘opbouwen van kennis’? Zo nee, wat vindt de gemeente een redelijke tijdsindicatie voor het opnieuw bekijken van de vergunningen van deze tankreinigingsbedrijven?

14. Welke extra middelen worden er de komende periode beschikbaar gesteld aan de Omgevingsdienst Zuid-Limburg?

15. Deelt het college de opvatting van de SP-fractie dat een situatie waarin er naar alle schijn (te) hoge concentraties zeer zorgwekkende stoffen langs de Maas worden geloosd grote prioriteit verdient?

16. Is het college bereid de resultaten van de geplande controle van Cleaning Limpens in 2024 te delen via een raadsinformatiebrief? In de begroting van 2024 valt te lezen dat de vaste bijdrage aan de Omgevingsdienst Zuid-Limburg de komende jaren gelijk blijft. De SP-fractie vraagt zich af of een vaste bijdrage elk jaar de juiste manier is een dusdanig belangrijk orgaan dat onze leefomgeving veilig en gezond houdt te financieren. Vooral als dit leidt tot een beperkte mogelijkheid tot controleren. Uit een landelijk rapport9 blijkt dat omgevingsdiensten te klein zijn om kwaliteit en capaciteit op te brengen.

17. Deelt de gemeente de opvatting van de SP-fractie dat de huidige manier van financieren niet toereikend is om een Omgevingsdienst draaiende te houden die de tijd en middelen heeft om daadwerkelijk onze leefomgeving veilig en schoon te houden?

18. Is de gemeente bereid alternatieve vormen van financiering te verkennen die afwijken van het huidige model van outputfinanciering?

Maastricht, 3 oktober 2024

Schriftelijke vragen over Crapuul en het Stokstraatkwartier

Geachte burgemeester,
In 2022 werd het boek Crapuul van Frank Bokern gepubliceerd, dat een ontluisterende kijk in de geschiedenis van het Stokstraatkwartier geeft. Het boek werpt ook een kritische blik op het handelen van het stadsbestuur destijds, in hoe zij met de inwoners van het Stokstraatkwartier is omgegaan. Voor bewoners van het Stokstraatkwartier is de gedwongen verhuizing en de heropvoeding middels de woonscholen een traumatische ervaring geweest, die hen tot vandaag de dag een stigma hebben bezorgd. Onze fracties zijn van mening dat deze gebeurtenissen een wezenlijk onderdeel van de Maastrichtse geschiedenis vormen en wij vinden het daarom belangrijk dat onze gemeente hier aandacht aan besteed. Dit om te reflecteren op het eigen handelen en hier lessen uit te trekken, maar met name om de inwoners van het Stokstraatkwartier, van wie sommigen nog leven, erkenning te geven over het verleden. Onze partijen zullen dit onderwerp agenderen om te bespreken binnen de gemeenteraad en we hebben hierbij ook nog de volgende vragen.

1. Wat heeft de gemeente sinds de publicatie van Crapuul gedaan met dit onderwerp? A. Zijn er gesprekken geweest met de inwoners van het Stokstraatkwartier en/of nabestaanden ervan? Zo nee, bent u bereid hierover in gesprek te gaan? B. Is er contact geweest met de schrijver van het boek? Zo ja, wat kwam hieruit? C. Is het handelen van het stadsbestuur besproken binnen de gemeente? Zo ja, binnen welk gremia?

2. Hoe reflecteert u op het handelen van de gemeente destijds?

3. Deelt u onze mening dat erkenning gepast is? Hoe ziet erkenning er volgens u uit?

4. Kunt u het gesprek aangaan met het Maastricht Museum om al dan niet in gezamenlijkheid tot een tentoonstelling te komen die deze geschiedenis vertelt?

Ingestuurd samen met de CDA 

19 september 2024
Schriftelijke vragen SP over de stand van zaken ten aanzien van de verhuizing van onder andere het Werkgebouw, Stadsnomade en de Foodbank en de Transport Artspace van het Landbouwbelang naar garage De Griend.

Geacht college,
Onze fractie bereiken zorgelijke signalen over de stand van zaken ten aanzien van de verhuizing van een aantal lokale initiatieven, waaronder het Werkgebouw, Stadsnomade, en de Foodbank en de Transport Artspace, de laatstgenoemden van het Landbouwbelang, naar garage De Griend. Zoals bekend, zijn er in het kader van de voorgenomen sloop van het Landbouwbelang door de wethouder een aantal toezeggingen gedaan, zoals dat enkele initiatieven – de Foodbank en de Transport Artspace – zouden kunnen ‘landen’ in garage De Griend ter vervanging van hun huidige gebruiksruimten in het Landbouwbelang. Ook aan Stadsnomade is toegezegd dat zij van het oude schoolgebouw in De Heeg zouden kunnen verhuizen naar de locatie op De Griend. Onze fractie is met name ontzettend geschrokken van de schrikbarende huurprijzen die kennelijk voor de gebruiksruimten gevraagd worden (waarbij het in sommige gevallen gaat om tonnen voor de komende vijf jaar), en het vermeende niet-nakomen van allerhande aan de genoemde organisaties gedane toezeggingen, zoals mogelijke toekenningen van voor een behoorlijke exploitatie noodzakelijke vergunningen.

Het zal geen verbazing wekken dat een en ander bij onze fractie de nodige vragen heeft doen rijzen, die in het navolgende nader uiteengezet zullen worden.

  1. Kan uw college de raad een uitgebreid overzicht van de huidige stand van zaken ten aanzien van de invulling van de ruimten in garage De Griend doen toekomen? In dat kader zijn wij vooral geïnteresseerd in een uiteenzetting van de redenen voor de gekozen de huurconstructie, waarbij het Werkgebouw de hoofdhuurder wordt en de rest van de organisaties onderhuurder, de huurprijzen die er per organisatie mee gemoeid zouden zijn, welke organisaties er nog in de running zijn om daadwerkelijk hun intrek te nemen, en welke inmiddels zijn afgehaakt.
  1. Kan uw college de raad een uitgebreid logboek/overzicht van de aan de verschillende organisaties gedane toezeggingen ten aanzien van financiering c.q. subsidiëring en de 
    inrichting en verbouwing van de verschillende gebruiksruimten in De Griend doen toekomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer mogen wij een en ander tegemoetzien?
  1. Verwacht uw college dat het volledige gebruiksoppervlak van garage De Griend op korte termijn verhuurd zal zijn aan organisaties met een cultureel-maatschappelijke kerntaak, zeker met het oog op de ontzettend hoge huurprijzen die zij daarvoor dienen neer te leggen?
  1. Waar dienen de organisaties die door verschillende omstandigheden en om verschillende redenen zijn afgehaakt voor intrek in De Griend volgens uw college dán te landen? Is uw college bereid zich met urgentie in te spannen om voor hen een vervangende locatie te vinden, en/of de voor vervangende huur benodigde financiering te verschaffen? Zo ja, wanneer ziet uw college de gelegenheid om daartoe in overleg te treden met de genoemde organisaties? Zo nee, hoe verhoudt een en ander zich dan tot de eerder door u gedane toezeggingen aan de raad en de genoemde organisaties?

18 september 2024

Betreft: Schriftelijke vragen SP over de doorwerking van de aangekondigde maatregelen uit het regeerakkoord en de begroting voor het beleid en de uitvoering in de gemeente Maastricht.

Geacht college,                                                                                                                                                 

Het hoofdlijnenakkoord van de nieuwe regering is uitgewerkt in een regeerakkoord en dat akkoord werd gisteren gepresenteerd tijdens Prinsjesdag. Het akkoord belooft, wat de SP betreft, niet veel goeds. Wij zeiden het al eerder: ‘put your money where your mouth is’. De regeringspartijen hadden tijdens de verkiezingen tal van mooie beloftes voor de mensen in het land, maar als we naar de uiteindelijke financiële begroting kijken, komt daar bar weinig van terecht. De mensen met de zwakste schouders krijgen het nog zwaarder en de rijken en bedrijven worden rijkelijk uit de wind gehouden. Ook de VNG luidt de noodklok, en waarschuwt vooral voor het zogenoemde Ravijnjaar 2026. De VNG heeft zich recentelijk zelfs teruggetrokken uit gesprekken met het rijk en geeft zo een duidelijk signaal af van hoe wij, als verenigde gemeentes, in de wedstrijd zitten.

 
Het rijk zadelt de gemeenten op met grote problemen. In de verdere uitwerking van de hoofdlijnen in het definitieve rijksbeleid zien we duidelijk wat de consequenties zijn van de keuzes die gemaakt worden door het nieuwe kabinet. Deze keuzes en vooral de financiële consequenties daarvan op vele belangrijke dossiers, worden langzaamaan helder. Gemeenten gaan bij ongewijzigde plannen grote moeite hebben met maken van verantwoord beleid en de uitvoering van wetten en regelgeving op lokaal niveau. Grote bezuinigingen liggen in het verschiet en onze inwoners dreigen daarvan de dupe te worden. We nemen aan dat ons Maastrichtse college en het ambtenarenapparaat de afgelopen maanden al zoveel als mogelijke hebben voorgesorteerd en geanticipeerd op de nieuwe werkelijkheid. Wij vragen het college de raad op de meest korte termijn mogelijk bij te praten over de consequenties van de nieuwe plannen van deze regering in het algemeen, maar in het bijzonder voor onze stad.
 
Om die reden zouden wij als SP graag een extra informatiebijeenkomst georganiseerd willen zien, waarin het college ons uitlegt wat de voorgenomen plannen voor invloed hebben op ons Maastrichts coalitieakkoord en welke stappen we gaan ondernemen om de risico’s en uitdagingen voor onze stad te in kaart te brengen en er adequaat op te reageren. De belangrijk thema’s zijn daarbij wat ons betreft: zorg, bestaanszekerheid en armoede, wonen, milieu en klimaat, natuur en stikstof, werk en pensioen, onderwijs en studenten.
 
1. Is uw college bereid om een dergelijke sessie op zo kort mogelijke termijn te doen organiseren, en ervoor te zorgen dat alle wethouders daarbij aanwezig kunnen zijn? Zo ja, op welke termijn verwacht u over voldoende informatie te beschikken om een dergelijke infosessie mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet? Het lijkt onze fractie van belang dat reeds op korte termijn aan de slag gegaan wordt met het in kaart brengen en inzichtelijk maken van de gevolgen van het zogenoemde Ravijnjaar 2026 voor de gemeentelijke begroting en het gemeentelijk beleid.
 
2. Heeft het college reeds zicht op de gevolgen van het zogenoemde Ravijnjaar 2026 op de gemeentelijke begroting en het gemeentelijk beleid? Zo ja, zouden wij daar op korte termijn een schets van mogen ontvangen? Zo nee, wanneer denkt het college daar wél een overzicht van te kunnen geven?
 
Hoogachtend, Jack van Gelooven Stephanie Blom Raadslid SP Raadslid SP
 

17 september 2024 Betreft:  Stand van zaken afwikkeling toeslagenaffaire in gemeente Maastricht

Geacht college,
Op 11 september jl. ontving de gemeenteraad van Maastricht een ingezonden brief van mevrouw Schmitz, bestuurslid van de Stichting Gedupeerde Ouders. Zij trok bij ons als raad aan de bel over haar zorgen ten aanzien van de afwikkeling van de zogenoemde Toeslagenaffaire in de gemeente Maastricht. Dit ingezonden stuk heeft bij onze fracties een aantal vragen doen rijzen:
 
1. Heeft uw college zicht op het aantal gedupeerde gezinnen dat in Maastricht woonachtig is, en uit hoeveel personen de totale groep als gedupeerde aangemerkten in onze gemeente bestaat? Zo ja, zou de gemeenteraad daar een overzicht van mogen ontvangen? Zo nee, is uw college bereid een en ander met spoed in kaart te (doen) brengen, en daarvan een overzicht aan de raad toe te zenden?
 
2. Kan uw college voor de gemeenteraad uitgebreid uiteenzetten hoe de gemeentelijke instrumenten, instanties en regelingen ten aanzien van de afwikkeling van de Toeslagenaffaire er voor onze inwoners uitzien: bij welke loketten kunnen zij terecht, en hoe ziet die ondersteuning eruit?
 
3. Kan uw college de gemeenteraad een overzicht verschaffen van relevante regelingen die op korte termijn (dreigen) af te lopen voor de betrokken groep gedupeerden, zoals de zogenoemde kindregeling, en wat de mogelijke alternatieven zijn om het einde van die regelingen te compenseren, zowel op gemeentelijk, provinciaal als landelijk niveau?
 
4. Kan uw college de raad een update geven omtrent de stand van zaken ten aanzien van de afwikkeling van de Toeslagenaffaire voor de gedupeerde inwoners van de gemeente Maastricht: hoeveel dossiers zijn er volledig afgewikkeld? Hoeveel zijn er nog in behandeling, en waar staan we als gemeente in die dossiers? Zijn er dossiers waar überhaupt nog aan begonnen moet worden?
 
5. Kan uw college de onderhavige vragen met spoed beantwoorden, aangezien onder andere de eerdergenoemde kindregeling op 6 november dit jaar afloopt, en met het oog op de mogelijke totstandbrenging van een motie voor de raadsvergadering van september 2024?
 
Hoogachtend, Stephanie Blom Miriam Elfassih Raadslid SP Raadslid D66
 
 

17 september 2024
Betreft: In stand houden van schaarste op de ‘studentenwoningmarkt’ als onderdeel van het gemeentelijk beleid en de jaarlijkse cijfers van Maastricht Housing.

Geacht college,
Vandaag namen wij kennis van een notitie die door het afdelingshoofd van Maastricht Housing aan de Universiteit Maastricht (UM) geschreven is voor de leden van de Universiteitsraad van de UM. Het doel van de notitie is om de leden van de Commissie Operationele Zaken een update te geven over de stand van zaken ten aanzien van de studentenhuisvesting in onze stad.
 
De inhoud van deze notie heeft bij onze fracties een aantal vragen doen rijzen, die wij graag middels dit schrijven bij uw college onder de aandacht willen brengen. De betreffende notie is als bijlage bijgevoegd. Op pagina 1 van de bijgevoegde notitie stelt het afdelingshoofd Maastricht Housing van de UM het volgende (eigen vertaling, SB): “Voor zover we nu kunnen inschatten, is de huidige wrijving [op het gebied van studentenhuisvesting, SB] niet ernstiger dan andere jaren.
 
Er is nog steeds geen oplossing voor het frictieprobleem, omdat het toevoegen van nog meer studentenhuisvesting dan afgesproken in de Woonprogrammering Studentenhuisvesting 2026-2030 door de gemeente Maastricht niet wenselijk wordt geacht. Dit zou immers veel meer leegstand betekenen gedurende de rest van het studiejaar. Dit is zowel politiek onwenselijk ("waarom een overschot aan studentenwoningen terwijl er een tekort is voor alle andere doelgroepen?”) en onverstandig voor de groei van de kamermarkt op de lange termijn. Immers, een (groot) kameroverschot kan potentiële investeerders in studentenhuisvesting afschrikken.” [eigen arcering, SB] De dikgedrukte frase wekt sterk de indruk dat de gemeente Maastricht, onder leiding van uw college, actief aanstuurt op het creëren of in stand houden van schaarste op het gebied van de studentenhuisvesting, om er zo voor te zorgen dat er een tekort blijft bestaan en de huurprijzen (mede) daardoor hoog blijven, waardoor het een aantrekkelijke ‘markt’ blijft voor toekomstige investeerders in studentenhuisvesting, ten koste van honderden, zo niet duizenden studenten die proberen hier een betaalbare en bereikbare studententijd te hebben. En dat terwijl de zoektocht naar een kamer ook dit jaar voor veel studenten weer een crime was, met lange zoektochten, veel scammers en hoge kamerhuren tot gevolg.
 
1. Kan uw college antwoord geven op de vraag of het sturen op schaarste om toekomstige investeerders te paaien inderdaad actief onderdeel is van het gemeentelijk beleid ten aanzien van studentenhuisvesting? Zo nee, waarom leeft deze indruk dan bij het hoofd Maastricht Housing van de UM? Zo ja, kan uw college reflecteren op de morele en ethische wenselijkheid van dit speculeren ten koste van het welzijn van inkomende studenten? Wat onze fracties betreft, is juist het hanteren van een licht overschot aan studentenhuisvesting wenselijk, aangezien dat zal voorkomen dat hostels als The Green Elephant en StayOkay aan het begin van het volgend academisch jaar wéér vol zitten met studenten die nog geen kamer hebben kunnen bemachtigen, ondanks dat zij vaak al sinds mei dit jaar aan het zoeken zijn. Bovendien zullen de huurprijzen voor kamers in de stad door een overschot dalen - tenminste, als men de marktlogica die het college hanteert volgt – hetgeen een positieve ontwikkeling is voor alle studenten in de stad, maar bovenal voor aankomend studenten die niet de meest welvarende ouders hebben.
 
2. Kan uw college nader uiteenzetten waarom volgens haar schaarste dan tóch te verkiezen is boven een licht overschot aan studentenhuisvesting, met name in het licht van de hierboven geschetste marktlogica, en met het oog op het welzijn van studenten? Uit de aangehechte notitie wordt bovendien duidelijk dat Maastricht Housing momenteel een afname aan woningzoekenden laat zien en dat hen geen signalen bereiken dat er een groot aantal studenten nog zonder (betaalbare) kamer zit. Hun verwachting is dan ook dat alle studenten uiterlijk eind oktober een geschikte kamer gevonden zullen hebben. Echter, Maastricht Housing is slechts één van de vele platforms waarop studenten naar kamers zoeken en het aantal aanmeldingen aldaar biedt wat onze fracties betreft geen accurate weergave van het totale aantal kamerzoekende studenten in Maastricht. Ook biedt het aanbod van Maastricht Housing lang geen volledig overzicht van alle aangeboden studio’s en kamers te Maastricht. Veel studenten zoeken via andere platforms, zoals Facebook, Funda en Pararius. Bovendien is het platform Maastricht Housing in eigendom van de Universiteit Maastricht, Hogeschool Zuyd en de Jan van Eyck Academie, hetgeen de neutraliteit en validiteit en veralgemeniseerbaarheid van de geschetste data zou kunnen beïnvloeden.
 
3. Heeft uw college zicht op hoe het studenten die niet via Maastricht Housing op zoek zijn naar een kamer vergaat tijdens hun zoektocht naar een kamer? Zo ja, kunt u deze data met de gemeenteraad delen? Zo nee, bent u bereid en in staat om die data alsnog breder te verzamelen en aan de gemeenteraad te doen toekomen? 4. Mocht u daar niet toe bereid en/of in staat zijn, is uw college dan met onze fracties de mening toegedaan dat de met de Universiteitsraad (en eerder ook met de gemeenteraad) gedeelde gegevens waarop u uw beleid kennelijk baseert onvolledig zijn, en daardoor een vertekend beeld schetsen van de werkelijkheid? Zo nee, waarom niet?
 
5. Indien het antwoord op de vorige vraag ‘ja’ luidt, bent u dan bereid een stadsbrede monitor ten aanzien van kamerzoekenden op te tuigen in aanloop naar het komend academisch jaar, zodat zowel uw college als de gemeenteraad op basis van een betere informatiepositie tot betere besluitvorming kan komen op dit dossier? Zo nee, waarom niet? Onlangs troffen wij op TenderNed, volgens eigen zeggen ‘hét online marktplein voor aanbestedingen’, een vooraankondiging van een marktconsultatie uit mei 2024 met de titel ‘Verkoop grond t.b.v. Gebiedsontwikkeling Universiteitssingel/P0 in Randwyck te Maastricht’ aan. In de omschrijving staat dat de gemeente Maastricht voornemens is ‘om grond te verkopen voor realisatie en exploitatie van een complex met een woonprogramma met voorzieningen passend bij de campus’ en daarvoor ‘een aanbestedingsprocedure [wil] doorlopen.’
 
6. Kan uw college de raad nader informeren over de vraag op de verkoop van welk perceel deze marktconsultatie zich precies richt, en of dat het project dat eerder door Maasvallei zou worden uitgevoerd betreft, maar om financiële redenen toen geen doorgang kon vinden?
 
7. Hoe verhoudt de voorgenomen verkoop van grond in dit ontwikkelingsgebied zich tot het gemeentelijk strategisch grondbeleid dat uw college wenst te voeren?
 
8. Is uw college, met onze fracties, de mening toegedaan dat het met het oog op de voorgenomen toekomstige grootschalige ontwikkelingen van de Maastricht Health Campus in het gebied rondom de Universiteitssingel verstandig zou zijn om de grond niet in eigendom uit te geven, maar in eigen bezit te houden en vervolgens middels een erfpachtconstructie te verpachten aan een mogelijke ontwikkelaar? Zo ja, betekent dat dat de voorgenomen verkoop van de baan is? Zo nee, waarom niet?
 
9. Hoe verhoudt volgens uw college de wens om de schaarste op het gebied van studentenhuisvesting in stand te houden om ‘toekomstige projectontwikkelaars en investeerders in studentenhuisvesting niet af te schrikken’ (zie vraag 1 en de toelichting daarop) zich tot de voorgenomen verkoop van gemeentelijke gronden in Randywck en elders aan dat soort projectontwikkelaars en investeerders, en de hoogte van het bedrag dat de gemeente wenst te ontvangen voor die grond, dat door het kunstmatige in stand houden van de schaarste volgens de marktlogica van uw college hoger zal liggen dan bij een licht overschot?
 
,
Stephanie Blom Raadslid SP  Martin van Rooij Raadslid M:OED Jules Ortjens Raadslid Volt
 
BIJLAGE I – UPDATE STUDENTENHUISVESTING UNIVERSITEITSRAAD Update student housing as of September 2024 for the University Council (Commission Operations) meeting on September 11 2024 This is the third update this year regarding expectations for the development of the student housing market as of September 2024. The previous two updates dated May 15 and June 12 can be found in the attached Annex 1. Although it is still too early to present definitive conclusions and figures on the course of the room market in Maastricht and the surrounding area for the September 2024 inflow, we can already tentatively name some developments that have been noticed in recent months. More clarity and final conclusions cannot be expected until mid-October at the earliest, after the so-called October 1 census (1- oktobertelling) becomes known. Preliminary conclusion: it appears that the room market has developed in recent months in a manner similar to other years, with no major shortages but again with the annual friction issue. Thus, the expectation from the earlier updates from May and June that the additional supply created should be sufficient to accommodate the growth in the student population appears to have been fulfilled. That said, the friction issue - in which a relatively small proportion of prospective students will not find housing until it becomes vacant after graduates start leaving it in the next two months - continues to play out this year. Indeed, many new completions are no longer expected/planned in the short term. As in previous years, this friction is expected to resolve itself in late September, early October. From then on, there will no longer be a shortage and all students will have found housing. As far as can be seen now, the current friction is no more severe than other years. There is still no solution to the friction problem, because adding even more student housing than agreed upon in the Residential Programming Student Housing 2026-2030 (Woonprogrammering studentenhuisvesting 2026-2030 | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl)) is not considered desirable by the Municipality of Maastricht. After all, this would mean much more vacancy during the rest of the academic year. This is both politically undesirable (“why a surplus of student housing when there is a shortage for all other target groups?”) and unwise for the long-term growth of the room market. A (large) surplus of rooms may deter potential investors in student housing. Meeting demand for student housing with projected enrolment growth: On the supply side, slightly fewer units were realized than indicated in the June 12 update (see Annex 1), because Guesthouse did not manage to provide the 180 additional beds by converting some rooms into double rooms after all, and because the completion of the units on Limburglaan was postponed until the end of this year. As a result, 936 additional units became available instead of 1,086. Since the preliminary analysis of the latest enrolment figures for bachelor and master students suggests that they may be lower than assumed in the previous updates, this has fortunately not led to problems. The lower interest of foreign bachelor students in studying in Maastricht is in line with the trend reported by the Universities of the Netherlands (UNL) for the Netherlands as a whole: a decrease of 2% nationwide. Membership figures at Maastricht Housing also seem to confirm this picture: in the months of May to August, almost 700 fewer students registered as housing seekers than in 2022 and 2023. These are mainly foreign students (more than 500). This cannot be directly translated into a decrease in interest in studying at Maastricht University, but it is in line with the observed trend. Although it is difficult at the moment to say what the possible explanations are, the extensive communication campaign of UM aimed at prospective students - pointing out the problematic situation on the housing market for students - with the message "if you haven't found a place to live before the start of the academic year, don't come to Maastricht" will have played a role. The campaign had a very wide reach through several newsletters, university and faculty websites, direct mailings and Instagram posts (10 posts with an average of 12,000 views in April and June). Other issues related to housing, such as housing in the region, support from Huurteam Zuid-Limburg and recognizing and preventing scams, were also addressed in detail in this communication. Of course, it remains very annoying that there are still students without suitable accommodation, but it is expected that this friction problem will be solved by the end of October. Updated by Maurice Evers, Department Head Maastricht Housing, Student Services Centre.

 

5 september 2024
Betreft: aanvullende schriftelijke vragen jeugdzorg VIA JEUGD

Rapport gesloten jeugdzorg-Via Jeugd- Cadier en Keer
In Mei van dit jaar heeft de SP een hele serie vragen gesteld rondom de jeugdzorg. Hierbij vroegen we ook naar mogelijke misstanden binnen de jeugdzorg in onze regio. We maakten ons zorgen. Naar aanleiding van onze vragen werd er verwezen naar rapporten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Na het lezen van de rapporten zijn onze zorgen helaas niet weggenomen.

Volgens het rapport over Via Jeugd in Cadier en Keer zou o.a. Via Jeugd er nog onvoldoende in slagen om een passend dagprogramma en passende hulp te bieden. Dit heeft onder andere te maken met onvoldoende aanbod en wachtlijsten voor therapieën, onvoldoende passende dagbesteding en het ontbreken van passend onderwijs voor jeugdigen. Ook voldoet Via Jeugd nog niet aan de Veldnormen terugdringen vrijheidsbeperkende maatregelen. Bijvoorbeeld het generiek inzetten van vrijheidsbeperkende maatregelen, zoals het afsluiten van slaapkamerdeuren, cameragebruik op gangen, de inname van telefoons en standaard fouilleren bij opname. De inspectie vraagt om een verbeterplan.

Daar waar de samenwerking met de opdracht gevende gemeenten en ketenpartners nodig is om verbetering te realiseren, wordt van alle partijen een gedeelde verantwoordelijkheid verwacht om te komen tot een passende oplossing geredeneerd vanuit het belang van de jongeren. De SP heeft daarom de volgende vragen:

  1. Heeft het college kennis genomen van dit rapport en deelt het onze zorgen? Zo nee, wat vindt het college dan van de bevindingen en kunt u dat onderbouwen?
  2. Wat is de stand van zaken van het verbeterplan?
  3. Kunnen we als raad het verbeterplan inzien? Zo nee, waarom niet?
  4. Wat zijn concrete acties die op dit moment vanuit ons college als mede verantwoordelijke partij worden ondernomen om mogelijke verbeteringen te bewerkstelligen?
  5. Is het mogelijk om op regelmatige basis een update te krijgen van de stand van zaken inzake het herstelplan en tevens van de concrete verbeteringen naar aanleiding van dit plan? Zo ja, op welke termijn kunnen we deze informatie krijgen en zo nee, waarom niet?

https://www.igj.nl/publicaties/rapporten/2024/02/29/via-jeugd-cadier-en-keer

Gesloten jeugdzorg plaatsingen moeten naar nul
In de (landelijke) Hervormingsagenda Jeugd zijn er afspraken gemaakt om de residentiele jeugdhulp te transformeren naar een zo thuis mogelijke, regionaal georganiseerde kleinschalige vorm. Hierbij is er een afbouw van de gesloten jeugdzorg. In 2025 moet de gesloten jeugdhulp volledig kleinschalig werken en de beweging maken naar nul gesloten plaatsingen in 2030. Als SP zijn we blij met deze afbouw gezien de gesloten jeugdzorg decennialang te maken heeft gehad met misstanden.

Ook de Rijksoverheid erkent dit en heeft daarom de genoemde afbouw in gang gezet. Dit proces verloopt niet overal even soepel. Veel gesloten jeugdzorg aanbieders hebben niet voldoende (financieel) geanticipeerd op het feit dat er steeds minder jeugdigen in hun instellingen worden geplaatst. Ze hebben te lang de waarschuwingen en aanbevelingen van hogerhand genegeerd. Hierdoor komen een aantal gesloten jeugdzorgaanbieders in financiële problemen.

Dit baart ons zorgen. Sinds het fiasco rondom XONAR, lijkt het ons zeer zinvol de vinger nauw aan de pols te houden.  De SP heeft daarom de volgende vragen:

  1. Wat is de stand van zaken rondom de afbouw van de gesloten Jeugdzorg van Via Jeugd in Cadier en Keer? Loopt het hier wel op schema of heeft men niet voldoende op de informatie van hogerhand geanticipeerd?
  2. Hebben we in streefjaar 2025 in onze regio gesloten jeugdzorg die volledig kleinschalig en op maat werkt zoals de nieuwe wet en regelgeving vraagt van de instellingen?
  3. Heeft Via Jeugd de signalen genegeerd en daarom nu financiële problemen heeft zoals duidelijk werd in de RIB van 4 juli over de voortgang van XONAR, Mutsaers, Pactum en VIA jeugd of, zijn er bij VIA jeugd andere oorzaken aan te wijzen van de huidige problemen? Kunt u dat verder toelichten?

https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2023/02/03/landelijke-regie-op-om--en-afbouw-gesloten-jeugdhulp-aantal-plaatsingen-bijna-gehalveerd

https://www.binnenlandsbestuur.nl/sociaal/gesloten-jeugdzorg-heeft-grote-tekortkomingen-volgens-expert

https://maastricht.parlaeus.nl/vji/public/bestuursdocument/action=showdoc/gd=a2aaa00288a0a88002a2022a4a33954a/RIB_-_Voortgang_XONAR__Mutsaers__Pactum_en_VIA_jeugd.pdf Hoogachtend,

Youri van Mullem            Jack van Gelooven         

Burgerlid                             Fractievoorzitter

3 september 2024
Betreft: Schriftelijke vragen SP en LPM over verscheidene (her)ontwikkelingen in de stad.

 

Geacht college, 
In het navolgende wil onze fractie u graag een aantal schriftelijke vragen voorleggen over ogenschijnlijk uiteenlopende onderwerpen, maar die wij met het oog op de efficiëntie hebben samengevoegd in één document, daar deze onderwerpen elkaar wel degelijk raken en allen op het gebied van de ruimtelijke ontwikkeling en de volkshuisvesting gelegen zijn.

Allereerst heeft onze fractie een aantal vragen over de herontwikkeling van het kantoorpand gelegen aan de Limburglaan 5 te Maastricht. World Investments BV en tB Investments BV zijn voornemens om dit kantoorpand, dat pal naast de Kennedybrug ligt, te transformeren naar 105 zelfstandige studentenwoningen. Momenteel rust op delen van dit pand nog de bestemmingen ‘bijeenkomstfunctie’ en ‘kantoorfunctie’.

  1. Moet het bestemmingsplan gewijzigd worden om de ontwikkeling van studentenwoningen op deze locatie mogelijk te maken? Zo ja, wanneer kan de raad een voorstel daartoe tegemoetzien?

Blijkens onderzoek van Investico is niet alleen het Gastenhuis, maar ook het kantoorpand aan de Limburglaan gelegen in een zogenoemde ‘rode zone’, hetgeen betekent dat ook deze ontwikkeling te dicht (minder dan 25 meter) op een drukke binnenstedelijke weg gelegen is om er gezond te kunnen en mogen wonen, aldus de GGD-richtlijnen.

  1. Ongeacht de vraag of er een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is, heeft uw college onderzoek laten doen door de GGD naar de gezondheidsrisico’s die wonen op deze locatie met zich mee zouden kunnen brengen? Zo ja, mogen wij de resultaten van ontvangen? Zo nee, waarom niet?
  1. Is uw college zich ervan bewust dat een dergelijke ontwikkeling niet alleen in strijd is met de normen van de WHO, maar ook met het recht op adequate huisvesting van artikel 11 van het International Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR)(zie no. 8 onder (f))? Zo ja, waarom acht u ontwikkeling op een dergelijke locatie dan toch toelaatbaar? Zo nee, maakt dit nieuwe inzicht dat u zich genoodzaakt ziet om een ander oordeel te vormen over ontwikkeling op deze locatie? Zo nee, waarom niet?

Voorts een aantal vragen over de herontwikkeling van het kantoorpand gelegen aan de Adelbert van Scharnlaan, dat wordt verbouwd tot 117 woningen: 50 sociale huurappartementen, 34 studentenkamers, en 33 kamers voor deelnemers aan postacademische opleidingen van de Jan van Eyck Academie. De 33 kamers voor deelnemers aan postacademische opleidingen van de Jan van Eyck Academie zullen ruimschoots niet voldoen aan de door de raad vastgestelde minimumomvang van 45 m2, maar gemiddeld slechts tussen de 24 en 35 m2 groot zijn. In antwoord op vragen van De Limburger over deze met het raadsbeleid strijdige ontwikkeling, stelt de heer Cox, zakelijk directeur van de Jan van Eyck Academie dat oud-deelnemers van de postacademische opleidingen bevraagd zijn, en dat zij een te kleine kamer prefereren boven een anti-kraakwoning, een redenering die onze fractie nogal vreemd voorkomt. Het moge voor zich spreken dat de veronderstelde mening van een doelgroep nooit een strijdige handeling met een democratisch besluit kan rechtvaardigen, noch dat die een dergelijke handeling rechtmatig maakt. Zeker in een overspannen woningmarkt als de Maastrichtse, zal de overgrote meerderheid van respondenten altijd antwoorden dat een (veel) te kleine woning beter is dan helemaal geen woning, dus de validiteit van dit vermeende doelgroepenonderzoek laat eveneens te wensen over. 

Het college stelt in hetzelfde artikel dat de uitzondering gerechtvaardigd zou zijn, omdat ‘Wonen Limburg garandeert dat het sociale huur blijft’ en ‘het moeilijk [is] om in een bestaande gebouw precies de juiste afmetingen te maken.’ Ook stelt het college niet te vrezen voor precedentwerking, omdat ‘contractueel is afgedwongen dat de Jan van Eyck Academie ze aan niemand anders verhuurt’. Het blijft voor onze fractie onduidelijk hoe de genoemde argumenten een rechtvaardiging van deze flagrante strijd met het door de raad vastgestelde beleid moeten vormen.

  1. Kan uw college nader toelichten hoe de garantie van Wonen Limburg en de contractuele afspraak met de Jan van Eyck Academie de gemaakte uitzondering moeten rechtvaardigen en precedentwerking zouden uitsluiten?

Dat handelen in strijd met het door de raad vastgestelde beleid ten aanzien de minimale omvang van nieuw te ontwikkelen wooneenheden simpelweg omdat dat het college beter uitkomt, lijkt helaas langzaamaan schering en inslag te worden. We zagen het reeds bij de ontwikkeling van elf te kleine wooneenheden op de Jodenstraat 7 in februari 2023. de ontwikkeling van 123 wooneenheden in het Calvariënklooster waarvan ook een deel te klein was, en nu bij de herontwikkeling van de Adelbert van Scharnlaan en de ontwikkeling op de Markt (waarover later meer). Onze fractie is de stellige mening toegedaan dat handelen in strijd met dat beleid het grondwettelijk beginsel dat de gemeenteraad het hoogste orgaan van de gemeente is ondermijnt, en daarmee onrechtmatig is. Mocht u het wenselijk achten dat dit beleid gewijzigd wordt, dan zal u een voorstel daartoe moeten voorleggen aan de gemeenteraad, alvorens u tot de geschetste besluiten tot afwijking kunt overgaan. In het eerder aangehaalde artikel uit De Limburger stelt het college echter ‘alvast vooruit te lopen op een nieuwe regeling die in meer maatwerk voorziet.’

  1. Wanneer mag de gemeenteraad die genoemde nieuwe regeling ter behandeling tegemoetzien?
  1. Is uw college bereid zich tot die regeling voorgelegen heeft aan de raad, en door dat orgaan is goedgekeurd, te onthouden van handelingen die in strijd zijn met het momenteel vigerende beleid? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt zich dat tot uw opvattingen over de rol van de gemeenteraad?

Ten slotte de voorgenomen ontwikkelingen op de Markt. Aangezien de ambtsgenoten van SAB en MaastrichtvanNu eerder al vragen stelden over de wenselijkheid van de ontwikkeling van wooneenheden pal naast de geconcentreerde nachthoreca van Maastricht, zal onze fractie zich beperken tot aanvullende schriftelijke vragen over de omvang en doelgroep van de te ontwikkelen 74 woongelegenheden.

  1. Kan uw college de gemeenteraad nader informeren over de precieze omvang van alle 74 wooneenheden die de investeerder voornemens is te doen ontwikkelen op deze locatie?
  1. Kan uw college ons eveneens informeren over de exacte verdeling tussen ‘studentenwoningen’ en ‘woningen voor expats’ binnen de voorgestelde plannen voor de Markt?
  1. Hoe verhoudt de gewenste omvang van deze 74 wooneenheden zich volgens uw college tot de minimale omvang die dit soort wooneenheden op deze locatie in het centrum volgens het vigerende woonbeleid van de raad moeten hebben, en dan met name ten aanzien van de ‘woningen voor expats’?

In de Woonprogrammering studentenhuisvesting 2026 – 2030 wordt gesteld dat ‘het programma bijdraagt aan de verdere doorontwikkeling van Maastricht als kennisstad’ en ‘rekening [houdt] met de leefbaarheid van woonstad Maastricht, met name door de blijvende nadruk op grootschalige studentenhuisvesting (meer dan 26 eenheden) en een gematigde ontwikkeling van de kleinschalige studentenhuisvesting door het omzetten en splitsen van bestaande woningen.’ Door deze formulering, leefde bij onze fractie het idee dat ingezet zou worden op de ontwikkeling van grootschalige studentenhuisvesting op locaties die zich daar voor lenen zonder de ‘leefbaarheid van woonstad Maastricht’ al te ernstig aan te tasten, en dus vooral niet direct in het reeds dichtbevolkte en dichtbebouwde centrum gelegen zijn. Voorbeelden van dergelijke ontwikkelingen zijn die op Annadal, Randwyck en de Tongerseweg.

Echter, naar nu blijkt is de formulering wellicht te vaag, aangezien slimme ontwikkelaars op basis van die formulering ook in het centrum aan grootschalige ontwikkeling van studentenhuisvesting kunnen doen door bestaande woningen samen te voegen en op te splitsen, zoals we eerder zagen op de Brusselsestraat, maar nu ook op de Markt het geval lijkt. Dat leek ons nu juist niet de bedoeling van het geschetste beleid, aangezien dat zou betekenen dat kleinschalige splitsing en omzetting van woonhuizen bemoeilijkt wordt met het oog op de leefbaarheid, maar grootschalige studentenhuisvesting op dezelfde locaties in meerdere woonhuizen wél toegestaan is, hetgeen een grotere belasting van de leefbaarheid vormt dan kleinschalige omzetting.

  1. Kan uw college nader schetsen wat precies het doel was achter de aangehaalde formulering en het daarop geschetste beleid, daar dit voor onze fractie nu onduidelijk blijft?
  1. Acht uw college het wenselijk dat kleinschalige splitsing en omzetting zoveel mogelijk ontmoedigd wordt, waar dat voor grootschalige omzetting en splitsing van bestaande woningen (vanaf 26 eenheden of meer) niet het geval blijkt te zijn? Zo ja, waarom?
  1. Mocht uw college van mening zijn dat de geschetste ontwikkelingen niet wenselijk zijn, is het dan bereid om het bestaande beleid te herzien zodat dit meer recht doet aan de doelstellingen en ambities? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de raad een dergelijke herziening tegemoetzien?

Hoogachtend,

Stephanie Blom                Jack van Gelooven         Kitty Nuyts
Raadslid SP                        Raadslid SP                        Raadslid LPM

30 augustus 2024
Betreft: Schriftelijke (vervolg)vragen SP en MAASTRICHTvanNU - Inmiddels beëindigde staking bij het Geusseltbad.

Geacht college, Gisterenavond bereikte ons het bericht dat de FNV en de stakende medewerkers van het Geusseltbad besloten hebben de staking te beëindigen en in plaats daarvan hun heil te zoeken in een rechtsgang, zodat het ‘publiek niet langer de dupe [is] van de starheid van de gemeente.’ Hoewel onze fracties natuurlijk ontzettend blij zijn dat het zwembad weer in optima forma open zal gaan, zodat recreanten, verenigingen en zorgzwemmers niet langer de dupe zijn van het loongeschil met de gemeente, zijn wij ook ontzettend teleurgesteld in de onnodig harde en kille opstelling die het college in de afgelopen maanden heeft gebezigd inzake dit conflict. Dit geldt eens te meer daar de aangenomen motie van ambtsgenoot Nuyts weinig te raden overliet over de wens en opdracht van de gemeenteraad om de beloning van alle medewerkers van Maastricht Sport daadwerkelijk aan te laten sluiten bij de Cao Gemeenten.

Bovendien waren onze fracties de afgelopen maanden erg verbaasd over de toon en inhoud van de verscheidene raadsinformatiebrieven die wij van de hand van uw college over deze kwestie hebben ontvangen, en over de reacties van de gemeentelijke woordvoerders in de lokale en landelijke media. De toon was vaak hard en verwijtend, en de inhoud strookte vaak niet met de lezing en de cijfers die door de FNV en de stakende medewerkers aan de raad gepresenteerd zijn middels ingezonden brieven en persoonlijke gesprekken.

Ook deed de inhoud van de voorstellen die uw college de medewerkers gedaan heeft niet voor elke betrokken medewerker recht aan de inhoud en geest van de motie van ambtgenoot Nuyts. Ten slotte achten onze fracties het bijzonder laakbaar dat stakende medewerkers kennelijk persoonlijk door uw college benaderd zijn met een individueel loonbod, dat niet verschilde van het collectieve loonbod dat er al lag. In reactie op vragen van Binnenlands Bestuur over deze kwestie, geeft uw college aan dat medewerkers niet individueel benaderd zouden zijn met een eigen loonbod, maar dat hen wel is aangeboden om een ‘individuele toelichting te krijgen op het loonaanbod’, zodat ‘voor elke medewerker afzonderlijk duidelijk is wat het in zijn/haar geval betekent.’

Of het nou ging om een uitnodiging voor een ‘individuele toelichting’, of om een persoonlijke benadering met een ‘individueel loonbod’, is wat onze fracties betreft om het even. Echter, door deze handelswijze zou de indruk kunnen zijn ontstaan dat uw college getracht heeft de stakende medewerkers onderling tegen elkander uit te spelen, hetgeen te allen tijde voorkomen dient te worden daar een dergelijke schijn niet past bij het aanzien en bestuurlijke karakter van uw college. Het zal geen verbazing wekken dat de gehele gang van zaken bij onze fracties tot de nodige vragen geleid heeft, die in het navolgende nader uiteengezet zullen worden.

1. Kan uw college eenduidig antwoord geven op de vraag wat nu precies de uitnodiging was: een ‘persoonlijke toelichting’ of het bespreken van een ‘individueel bod’, en wat precies het verschil is tussen die twee lezingen/frases?

2. Wat was het idee achter deze strategie, en is een dergelijke handelswijze in lijn met uw opvattingen over wat een integer bestuur is? Als het antwoord op het laatste deel van de vorige vraag ‘ja’ luidt, kunt u daar nader over uitwijden?

3. Hoe schat uw college haar kansen in ten aanzien van de rechtsgang die door FNV in gang zal worden gezet om bij de rechter alsnog gelijke beloning af te dwingen, evenals een herstel van het misgelopen inkomen over de afgelopen vijf jaar?

4. Deelt uw college de opvatting van mevrouw Koppelman, die namens de FNV de onderhandelingen heeft gevoerd, dat de huidige en voorgestelde constructies ‘juridisch aan alle kanten rammelen’? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom worden deze constructies dan in stand gehouden?

5. Kan uw college, nu deze roerige periode voorlopig ten einde is, uitgebreid reflecteren op de vraag waarom het volgens haar niet gelukt is om er op eerlijke, transparante en fatsoenlijke wijze, die werkelijk recht zou doen aan de motie-Nuyts, uit te komen met de stakende medewerkers van het Geusseltbad?

Op 23 augustus werd bekend dat het eindbod voor de Cao Zwembaden door 80 procent van de FNVleden werd afgewezen. Ook de leden van de CNV stemden niet in met het uitgebrachte eindbod. De gesprekken tussen vertegenwoordigers van de genoemde bonden en de Vereniging Werkgevers in Zwembaden en Zwemscholen (WiZZ), waar de Stichting Personeelsbeheer Sport (SPBS) waar de stakende medewerkers in dienst waren ook lid van is, worden vervolgd om te kijken of de WiZZ alsnog wil bewegen richting een royaler eindbod dan er nu ligt. Als er uiteindelijk geen Cao komt, dan kan elke werkgever voor zichzelf bepalen welke loonsverhoging hij wel of niet doorvoert.

6. Is het SPBS, nu de onderhandelingen met de stakende medewerkers van het Geusseltbad zijn geklapt en een rechtsgang in het verschiet ligt, nog bereid om in ieder geval de door de WiZZ voorgestelde loonsverhoging alsnog door te voeren voor het personeel? Zo nee, waarom niet? Ook nu de onderhandelingen stukgelopen zijn, ligt daar nog steeds de met een ruime meerderheid aangenomen opdracht van de raad om de beloning voor de medewerkers van het Geusseltbad aan te laten sluiten bij de Cao Gemeenten. Uw college is volgens eerdere berichtgeving de mening toegedaan dat het eindbod dat u de FNV en de stakende medewerkers gedaan hebt ruimschoots voldoet aan de inhoud en geest van die motie.

7. Is uw college alsnog bereid en voornemens om de door haar voorgestelde loonsverhogingen en overige toezeggingen door te voeren nu de onderhandelingen daarover tot een einde gekomen zijn, zodat uw college voldoet aan de opdracht uit de aangenomen motie-Nuyts? Zo ja, per wanneer kunnen betrokkenen een en ander tegemoetzien? Zo nee, waarom niet? In december 2023 verscheen er, kennelijk, een rapport van de hand van Rob Spit, de voormalig interimdirecteur van Maastricht Sport en de SPBS, dat de raad – voor zover wij hebben kunnen naspeuren – echter nog niet heeft mogen ontvangen, noch bespreken. In dat rapport gaat het, onder andere, over de ‘toekomstige positionering van Maastricht Sport’ (p. 22 e.v.). Aanbeveling 22 van dat rapport luidt als volgt: ‘Zie externe verzelfstandiging van Maastricht Sport als stip op de horizon en bepaal op een later moment wanneer dat bestuurlijk en ambtelijk wenselijk en haalbaar is.’ (p. 25)

8. Kan uw college de raad nader informeren over de status van dit stuk en antwoorden op de vraag waarom dat stuk nog niet naar de raad gezonden is ter overweging en bespreking?

9. Wat is de visie van uw college op de externe verzelfstandiging van Maastricht Sport, en – mocht u een dergelijke verzelfstandiging ‘wenselijk en haalbaar’ achten – op welke termijn ziet u een dergelijke verzelfstandiging voor zich en mag de raad een raadsvoorstel dat daartoe strekt tegemoetzien?

10. Wat zijn volgens uw college de gevolgen van een externe verzelfstandiging van Maastricht Sport, en de daarmee waarschijnlijk gepaard gaande commerciële exploitatie van het Geusseltbad, voor de betrokken medewerkers, de bezoekers en de gemeente?

11. Was de wens tot uiteindelijke externe verzelfstandiging van het Geusseltbad een van de redenen waarom het college de stakende werknemers coute que coute níét in de Cao Gemeenten, noch onder een ondernemings-Cao wilde brengen, aangezien dat een mogelijke toekomstige (commerciële) uitbater op hoge personeelskosten zou jagen? Zo nee, wat waren volgens uw college dan de voornaamste redenen om niet eens tot een ondernemings-Cao over te willen gaan, laat staan deze medewerkers onder de Cao Gemeenten te brengen? Onlangs verscheen er op de vacaturewebsite van de gemeente Maastricht een vacature voor een bijbaan als ‘Sportparkbeheerder’ voor vijf uur per week. Die sportparkbeheerder zou onderdeel gaan uitmaken van het team Accommodaties, waarbij de werkzaamheden bestaan uit het toezicht op en het beheer van de sportparken Geusselt en West. De arbeidstijden zijn volgens de vacaturestekst ‘gebaseerd op het gebruik van de sportparken: door de week vooral in de avonduren en weekenden vooral overdag’. Opvallend is daarom dat deze beoogde medewerker blijkens de geschetste arbeidsvoorwaarden ingepast wordt in schaal vier van de, inmiddels beruchte, Cao Zwembaden. De werkzaamheden van deze medewerker hebben immers niets te maken met het zwembad De Geusselt, daar zij ook niet op die locatie zullen plaatsvinden, noch met enigerlei werkzaamheden die medewerkers van zwembaden doorgaans verrichten. Bij het vergelijken van de onregelmatigheidstoeslagen uit de Cao Zwembaden (p. 29) en die uit de Cao Gemeenten, valt op dat de hoogte daarvan behoorlijk verschilt tussen beide Cao’s. Voor elk gewerkt uur op zondag onder de Cao Zwembaden, ontvangt de werknemer een onregelmatigheidstoeslag van 20 procent. Voor elk gewerkt uur op een zondag onder de Cao Gemeenten, ontvangt de werknemer een onregelmatigheidstoeslag van maar liefst 65 procent. Aangezien de beoogde sportparkbeheerder met name op onregelmatige tijden zal gaan werken, zou het voor deze medewerker veel beter zijn als deze onder de Cao Gemeenten zou vallen, en niet onder de – gezien de aard van de functie überhaupt wat vreemd gekozen – Cao Zwembaden.

12. Is uw college zich ervan bewust dat het in strijd is met de gangbare praktijk, en mogelijk ook met het arbeidsrecht, om een Cao van toepassing te verklaren op een medewerker die naar de aard van de functie beschouwt eigenlijk niet onder die Cao thuishoort?

13. Waarom is er voor gekozen de beoogd sportparkbeheerder op de sportparken De Geusselt en West onder de Cao Zwembaden te laten vallen, en niet onder de Cao Gemeenten?

Hoogachtend, Stephanie Blom Jo Smeets Raadslid SP MAASTRICHTvanNU

26 augustus 2024

Betreft: Schriftelijke (vervolg)vragen SP, Volt, M:OED en Partij voor de Dieren over XONAR en het Limburgse jeugdzorglandschap.

Geacht college, Op 19 augustus jl. ontvingen wij de uitgebreide beantwoording van onze schriftelijke vragen van 10 juli 2024 over de aanhoudende fragiele status van XONAR en overige aan de jeugdzorg-gerelateerde onderwerpen, waarvoor hartelijk dank. In de dagen gelegen tussen het stellen van die eerdere vragen en de beantwoording daarvan, zijn echter opnieuw een aantal publicaties verschenen in de landelijke en lokale media, die wederom een aantal vragen hebben doen rijzen, evenals de antwoorden op onze eerdere schriftelijke vragen. Deze worden in het navolgende nader uiteengezet en, waar nodig, van toelichting voorzien.

Op 19 augustus publiceerde onderzoek platform Follow the Money een artikel met de titel ‘Acht miljoen verder, en de Limburgse jeugdzorg is nog steeds een puinhoop.’ In het artikel volgt een feitenrelaas en reconstructie over de opkomst en ondergang van XONAR, die er uiteindelijk toe leidde dat de samenwerkende gemeenten in het najaar van 2023 ruim acht miljoen aan gemeenschapsgeld aan de noodlijdende jeugdzorgorganisatie moesten overmaken om deze (naar nu blijkt slechts tijdelijk) overeind te houden. Het stuk biedt een ontluisterend beeld van het verloop van deze reddingsoperatie, waaruit naar voren komt dat de gemeenten zich door een slimme interimmanager in het ‘pak hebben laten naaien’.

Uit de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen, doemt bovendien het beeld op dat XONAR – nu uitzicht op een fusiepartner verdwenen is – alsnog gecontroleerd failliet zal moeten gaan.

1. Kan het college de raad informeren over de vraag hoe waarschijnlijk het volgens haar is dat XONAR alsnog (al dan niet gecontroleerd) failliet zal (moeten) gaan, zelfs na de financiële injectie die de samenwerkende gemeenten in 2023 gedaan hebben?

Zoals bekend, stond bij de gemeente Maastricht bij de aanbesteding in 2023 de wens voorop om het aantal zorgaanbieders op het gebied van de jeugdzorg terug te dringen van ‘tweehonderd naar veertig’. Om voor een contract in aanmerking te komen, stelden de samenwerkende gemeenten, met Maastricht als penvoerder, een tweetal eisen: jeugdhulpaanbieders moesten een minimaal aantal cliënten bedienen en een breed pakket aan jeugdhulp in huis hebben. Voor veel kleinere aanbieders, waaronder de Bibihuizen, waren deze drempels veel te hoog om in aanmerking te komen voor de aanbesteding. Een opvallende afwezige eis was de zogenoemde solvabiliteitseis, waar de SP Maastricht samen met Forum voor Democratie en M:OED in een motie van 26 september 2023 alsnog aandrong op de introductie van een solvabiliteitseis van 25 procent. Door het schrappen van deze aanbestedingseis, die iets zegt over de financiële toekomstbestendigheid van een zorgverlener, verbond de gemeente Maastricht feitelijk haar lot, en dat van de vijftien andere gemeenten, aan dat van XONAR; een organisatie waarvan zij wist of kon weten dat deze er financieel veel te slecht voor stond om gedurende tien jaar hoogwaardige zorg te kunnen leveren. Het college volhardt in het standpunt dat de systeemproblematiek in het Limburgse jeugdzorglandschap voortkomt uit de ‘ongunstige’ ligging van Zuid-Limburg, die ertoe zou leiden dat de organisaties die alhier actief zijn te weinig concurrentievermogen en slagkracht zouden hebben om een financieel gezonde bedrijfsvoering te organiseren. Echter, uit een andere recente publicatie op L1 met de titel ‘Ligging Limburg geen obstakel voor oplossing jeugdzorgproblemen, stellen experts’ blijkt dat provincies als Zeeland en Groningen, die toch ook niet direct bekend staan om hun gunstige ligging in den lande, niet geconfronteerd worden met dezelfde problematiek als ZuidLimburg. In het genoemde stuk wordt een datawetenschapper van onderzoeksbureau A-Insights aangehaald, die onderzoek heeft gedaan naar de Groningse jeugdzorg. Daar zouden de genoemde problemen niet spelen, aangezien daar royalere vergoedingen en tarieven gehanteerd worden dan onder aanvoering van Maastricht het geval is, en er bovendien strenger geselecteerd worden aan de poort in de aanbestedingsprocedures.

2. Kan het college de gemeenteraad een overzicht verschaffen van de verschillen in de tarieven die in Zuid-Limburg voor de aanbesteding(en) jeugdzorg gehanteerd zijn, en die (doen) vergelijken met de tarieven die in de provincie Groningen zoal gehanteerd worden?

3. Kan het college reflecteren op de rol die de hoogte van tarieven en vergoedingen volgens haar gespeeld heeft in de teloorgang van de financiële positie van XONAR en de overige jeugdzorgaanbieders die in de provincie Limburg momenteel in zwaar weer verkeren? In hetzelfde artikel op L1 wordt gesteld dat de gemeente het ministerie van VWS verzocht heeft om ‘jeugdzorginstellingen te verplichten vooraf toestemming te vragen voor grote financiële beslissingen.’

4. Kan het college nader uitleggen hoe zij deze plicht tot het vragen van ‘toestemming voor grote financiële beslissingen’ voor zich ziet, aan wie die toestemming zou moeten worden gevraagd, en wat de betekenis van een dergelijke plicht is voor de geprivatiseerde positie van zorgaanbieders? Bij de raadsinformatiebrief van 13 augustus 2024 is een bijlage gevoegd over de opdracht en het takenpakket van de Taskforce Robuust Zorglandschap Limburg. Op pagina 3 van die bijlage wordt gesteld dat een van de opdrachten van de Taskforce is om te onderzoeken hoe Limburg ‘minder afhankelijk kan worden van grote zorgaanbieders’. Onze fractie komt deze opdracht nogal cynisch voor, daar de Zuid-Limburgse gemeenten – onder leiding van Maastricht – zelf deze nieuwe afhankelijkheid van ‘too big to fail’ organisaties geschapen heeft door de aanbestedingsvoorwaarden die zij gehanteerd heeft. Bovendien laat de gemeente Maastricht in reactie op het stuk van L1 weten dat ‘ze de solvabiliteitseis hebben laten varen omdat er “geen andere aanbieders zouden zijn vanwege de ligging”.

5. Is het college het met onze fracties eens dat deze aanbieders er wel waren, namelijk de kleinere zorgaanbieders, maar dat Maastricht er doelbewust voor gekozen heeft om de aanbestedingsvoorwaarden zo vorm te geven dat zij simpelweg niet in aanmerking zouden komen, ingegeven vanuit de wens met een klein aantal grote zorgaanbieders in zee te gaan? Zo ja, waarom geeft u L1 dan de genoemde reden? Zo nee, kan het dan nader reflecteren op de genoemde eigen stelling?

6. Kan het college de raad een nadere beschouwing doen toekomen van de aanbestedingsvoorwaarden die zij bij de aanbesteding(en) van 2023 gehanteerd heeft en de gevolgen daarvan voor de omvang van de partijen waaraan aanbesteed werd, en antwoord geven op de vraag of zij – met de kennis van nu – dezelfde aanbestedingsvoorwaarden zou hebben gehanteerd?

7. Mocht het college bij de beantwoording van vraag 6 tot de conclusie komen dat zij – ook met de kennis van nu – tot dezelfde aanbestedingswaarden zou zijn gekomen, hoe laat zich dit dan rijmen met de eerder aangehaalde onderzoeksresultaten van A-Insights?

Hoogachtend, Stephanie Blom Martin van Rooij Jules Ortjens Ria Strik Raadslid SP Raadslid M:OED Raadslid Volt Raadslid PvdD

U bent hier